Woede tegen das Scheissleben; 'Nietzsche' Amsterdam en 'Faust' in Wenen

“Duitsers, en daar bedoel ik ook ons Oostenrijkers mee, zijn meesterlijke zelfkwellers,” zegt de Oostenrijker Alexander Widner. Hij schreef het toneelstuk 'Nietzsche', over de Duitse denker die geen Duitser wilde zijn. Vanavond gaat het in Amsterdam in première bij de Trust, terwijl Trust-regisseur Theu Boermans in Wenen werkt aan een nieuwe enscenering van 'Faust'.

Nietzsche is t/m 8 november te zien in het Trusttheater, Kloveniersburgwal 50, Amsterdam. Het randprogramma Nietzsche NU bevat oa een rondetafelgesprek met Alexander Widner (27 september) en een tentoonstelling; inl 020-5205320. De première van Faust in Wenen is op 18 oktober; inl 0043-1-3170101. Nietzsche, de tekst, verscheen bij het Thomas Sessler Verlag, Wenen, tel 0043-1-5123284. Andere toneelstukken van Alexander Widner worden uitgegeven door S. Fischer. Widners roman Stark wie ein Nagel is uitgebracht bij Deuticke, Wenen, en kost in Nederland f 47,60. Tekstboekjes van Gustav Ernsts Faust (Nederlandstalige 'oerversie') zijn nog beperkt verkrijgbaar bij International Film & Theater Books, Amsterdam; prijs: f 19,50.

Friedrich Nietzsche, domineeszoon en God-is-dood-profeet, ziet één soort god wel zitten: 'een dansende God die lacht'. Dansen en lachen zijn nu juist dingen die hijzelf niet kan. Leven: ook dat valt hem zwaar. Leven in Duitsland tenminste. Italië lokt, het land van de zinnelijkheid. De koffers zijn al gepakt, maar van de reis komt niets terecht: Friedrich krijgt een hoestaanval en valt uitgeput neer.

Alexander Widners toneelstuk Nietzsche, dat vanavond bij De Trust in première gaat, begint waar de officiële biografie van de Duitse filosoof eindigt. Besmuikt spreekt men van Nietzsches geistige Umnachtung als men zijn laatste jaren tot aan zijn dood in negentienhonderd bedoelt - maar in Widners rond 1896 gesitueerde drama is Nietzsche verre van gek. Ja, hij is ziek, verzwakt en overgeleverd aan de zorgen van moeder en zus. Zijn denken echter draait nog op volle toeren en soms weet hij zijn eigen verscheurdheid exact te analyseren, wat zijn wanhoop alleen maar vergroot. Was hij maar zo'n vrolijke dwaas die genoeg heeft aan zijn kleine waanwereldje! 'We hebben de zot uit onszelf verdreven, Gast', zegt de toneel-Nietzsche mismoedig tegen zijn bezoeker.

Peter Gast, Nietzsche- en Italië-fan en een niet onverdienstelijk musicus, een historische figuur die Friedrich inderdaad dikwijls gezelschap hield, doet tijdens de hele voorstelling zijn mond niet één keer open. Op deze devote man reageert Nietzsche zich af. Hij gebruikt hem als slaaf, zet hem voor gek, vernedert hem. Naast de muizige Gast voelt Nietzsche zich een gigant, en dat gevoel kan hij heel goed gebruiken. Khaldoun Elmecky speelt bij De Trust Gast en de Vlaming Jappe Claes is Nietzsche. Bebaard, bebrild en tenger zit de Nietzsche van Claes tijdens een repetitie op de sofa, een deken over zijn benen getrokken. Tegenover de sofa staat een kast waar Peter Gast een fles Italiaanse wijn uit moet halen, stiekem natuurlijk. Want voor Elisabeth Förster-Nietzsche, de zus van de filosoof, staat wijn geschonken in het glas van haar broer gelijk aan een doodzonde. Niet zuipen moet hij, maar schrijven: voor het gezegende Duitsland!

Nietzsches lijden aan de Duitse ernst en zijn ongewilde bijdrage, door toedoen van zijn zuster, aan het Duitse proto-fascisme, zijn twee thema's die samenkomen in de ondertitel das deutsche Elend. “Friedrich Nietzsche”, zegt regisseur Hans Gratzer tussen de repetities door, “was een Duitse denker die niet Duits wilde zijn. Hij wilde van zijn Duitse zwaarmoedigheid af, hij snakte naar liefde, naar vrijheid. Maar hij bouwde voor zichzelf een gevangenis met ma en zus als cipiers. Het tragische is dat zijn zus z'n uitspraken zo heeft verdraaid dat ze konden dienstdoen als basis voor de ideologie van het Derde Rijk.”

Hans Gratzer, leider van het Schauspielhaus Wien, regisseert in Amsterdam; Theu Boermans, leider van De Trust, regisseert in Wenen. Hij maakt daar met auteur Gustav Ernst en met spelers van het Schauspielhaus een Weense versie van zijn omstreden voorstelling Faust. Beide regisseurs hebben een voorkeur voor taalgevoelige stukken vol filosofisch onderlegde woede, en zulke stukken vonden zij bij Alexander Widner en Gustav Ernst, bij Rainald Goetz en Werner Schwab. Bij schrijvers uit het Duitse taalgebied die hun personages manisch laten praten in de hoop zo een antwoord te vinden op de vraag: Wie geht das Scheissleben?

Taalbezetenheid

Erg veel bruikbaar Duitstalig toneel wordt er de laatste tijd niet geschreven, vinden Boermans en Gratzer. Boermans heeft voor dit seizoen vooral Engelstalig repertoire in huis gehaald, van felle jonge schrijvers, “maar die missen toch de taalbezetenheid van de Duitsers”. Gratzer, die tegenwoordig weleens naar werk van de Amerikaan Tony Kushner uitwijkt, kan bogen op een hele reeks Uraufführungen van door hem ontdekte Duitstalige auteurs. Ook Elfriede Jelinek zit daarbij, een ster wier stukken allang zijn doorgedrongen tot de heilige hallen van het Burgtheater.

Twintig jaar geleden werd het Schauspielhaus speciaal voor Hans Gratzer gebouwd en hij werkte er al die tijd, op de paar jaren na dat George Tabori de leiding van hem overnam, terwijl Gratzer zijn horizon verbreedde in New York. Problemen met het taalverschil tussen hem en de acteurs heeft deze toch zo op de taal gerichte Oostenrijker ook hier in Holland niet: “De taal van de dichter blijft onveranderd. Er is maar één manier om Schwab, om Widner te spelen: door van zin naar zin te gaan en van gedachte naar gedachte. Denken en nog eens denken, daar gaat het om.”

Maar wat moeten acteurs en toeschouwers uit Nederland met een stuk over 'het Duitse denken'? Gratzer wijst naar de ramen achterin de theaterzaal. “Aan het begin van de voorstelling gaan de gordijnen ratsch open zodat je de gracht ziet en het café aan de overkant. Nietzsche kijkt, net als het publiek, uit op een glimpje Nederlandse werkelijkheid en wat hij over Duitsland zegt, krijgt daardoor, hoop ik, een Hollandse bijbetekenis.”

Van die regievondsten heeft Alexander Widner nog geen weet. Hij is, een week voor de première, in zijn woonplaats Klagenfurt met heel iets anders bezig dan met Nietzsche. Schrijven, letterkundig schrijven althans, doet hij in de avonduren; overdag werkt hij bij het lokale Kulturamt. “'t Is een goeie man, een kleine ambtenaar, een boerse kerel eigenlijk, die soms wat grof uit de hoek kan komen”, zei Hans Gratzer in Amsterdam over hem.

Zodra ik in Klagenfurt ben, maakt de boerse ambtenaar mij er eerbiedig op attent dat naast het terras waar wij appelcider drinken Robert Musil geboren is: “op de tweede verdieping van dat mooie huis”. Widner zelf werd in Wenen geboren, in het jaar negentienhonderdveertig. Hij is een literaire laatbloeier - maar lees je zijn autobiografische roman Stark wie ein Nagel, dan verwonder je je erover dat hij überhaupt nog tot bloei is gekomen.

In deze één jaar oude roman gaat het niet goed met der Bub, het alter ego van Widner. De adolescent steelt geld van zijn moeder, zwalkt stomdronken over straat, beledigt zijn vader en weet zich geen raad met zichzelf. Zijn ouders stellen verbitterd vast dat hun enige kind wel net zo zal worden als zij. En dan hebben we het over zwaar mislukte existenties. Toen de moeder jong was kreeg zij bij een auditie in het Burgtheater te horen: “Niet slecht, lieve juffrouw, helemaal niet slecht, maar zo begaafd als u bent, zijn alle Oostenrijkers.” De afgewezen actrice klampte zich vast aan een pianist die stomme films begeleidde en die volgens haar een genie was.

Maar zijn luiheid blijkt groter dan zijn talent en met zijn openlijke gekanker op alles en iedereen maakt hij veel vijanden. Zo jaagt de man zichzelf en zijn inmiddels gestichte gezin steeds dieper de provincie in, tot groot verdriet van zijn vrouw, die al haar aan hem gespendeerde wilskracht in een groot niets ziet verdwijnen. Het geweld van de vader en de berusting van de moeder in een zogenaamd godgewild lot, de schone schijn die zij ondanks de klappen en het nijpende geldgebrek op tracht te houden en de eeuwige, onder wederzijdse kleineer-attaques bedolven onvrede: die alledaagse treurigheid boekstaaft Alexander Widner met pijnlijke precisie en een even pijnlijke afstandelijkheid. De ouderfiguren, consequent der Mann en die Frau genoemd, komen zelf aan het woord in strakke tekstmontages waarvan de vertwijfelde herhalingszinnen mij als lezer beklemden.

“Grüss Gott”, zegt Widner tegen een passante, en deze formule herhaalt hij bij een voorbijlopende heer. “Dat is een baron”, fluistert hij opgewonden, waarna hij zich weer op zijn schrijverschap probeert te concentreren. “Ik ben niet zo goed in het vertellen van een verhaal, maar monologen schrijven, dat kan ik. Dat komt, denk ik, doordat er in Oostenrijk zoveel gepraat wordt en zo weinig geluisterd.” De vader in Stark wie ein Nagel is ook geen luistertype. Liever houdt hij, over de 'hoerige opera' bijvoorbeeld, ellenlange tirades à la de boze mannen van wijlen Thomas Bernhard.

Tegen mij, een vreemde, zegt de die dag goedgehumeurde Widner geen al te onaardige dingen over zijn vader. “Hij was muziekleraar en componist, een rusteloze figuur. Altijd moest hij maar verder en verder en toch is hij nergens gekomen. Hij zorgde ervoor dat wij minstens één keer per jaar verhuisden. Dat lijkt heel dynamisch maar eigenlijk heeft hij steeds in een kringetje rondgelopen. Zelf had hij dat niet door. Ach, misschien houden we ons allemáál voor de gek met het idee dat we vooruitkomen in het leven.”

Hoe híj zijn dagen slijt? “Ich beschäftige mich!”, antwoordt hij zuinigjes. “Het vrije kunstenaarschap heb ik nooit aangedurfd. Ik wil weten waarvan ik mijn huur moet betalen en de warme maaltijd voor mijn gezin. Het werk op het Kulturamt is best plezierig hoor: het archief, de bibliotheek, het componeerhuisje...” Het componeerhuisje? “Van Gustav Mahler. Het ligt hier vlakbij, in het bos boven een meer. Hier schreef hij zijn mooiste symfonieën. Het is mijn taak om dat componeerhuisje uit te bouwen tot een Mahlercentrum.”

Musil, Mahler, Nietzsche: wie met Alexander Widner praat staat even middenin het artistieke leven van het fin de siècle-Europa. Nietzsche ontstond alleen niet in Europa maar in Amerika. “Ik had de onrust van mijn vader, die uit bangigheid altijd binnen de Oostenrijkse grenzen is gebleven. Ik heb de grens overschreden, ben met mijn gezin naar Amerika getrokken en heb daar een restaurant gerund.” De gasten waren voornamelijk joden, uit Duitsland en Oostenrijk.

“Ze waren zo blij om weer eens een Wiener Schnitzel met Knödeln te kunnen eten! En toen wij op een dag weer waren verdwenen waren ze erg bedroefd. Met hun honger en hun verschrikkelijke verhalen waren ze steeds naar ons toegekomen.” Een oude dame vertelde hem over haar bezoek aan Wenen, vijfendertig jaar na de oorlog. “Ze wilde de plekken van haar kindertijd weer eens zien. Ze kocht een vliegticket en boekte drie weken Hotel Sacher. En ze zei: 'Na drie dagen mòest ik weg uit die mooie, wrede stad Wenen. Als een orkaan kwamen de herinneringen over me heen.”

Nietzsche en de nazitijd liggen dicht bij elkaar wanneer je de klanken beluistert. Maar net als Hans Gratzer is Alexander Widner ervan overtuigd dat Nietzsches filosofie niets te maken heeft met die van de nazi's. “Nietzsche schreef, in Also sprach Zarathustra: 'Ich wünsche mir, dass ihr wieder die fröhlicheren, besseren Menschen seid'. Nou, de vrolijke mens, dat is voor een Führer een schrikbeeld. Een Führer heeft gehoorzame mensen nodig en geen vrolijkerds.” Bovendien, zegt Widner, heeft Nietzsche ook geschreven: 'Ich könnte jeden Antisemit erschiessen'. “Niemand wilde ook maar iets van die uitspraak weten. Voor vele Duitsers en Oostenrijkers was en is Nietzsche te kosmopolitisch.”

Vijf jaar geleden zag Widner zijn eigen Nietzsche in het Wiener Schauspielhaus. “Joachim Bliese als Nietzsche was een Dùitse Nietzsche zoals men niet Duitser kan zijn. Duitsers, en daar bedoel ik ook ons Oostenrijkers mee, zijn meesterlijke zelfkwellers. Geen wonder, zou je denken, met dat bruine verleden. Maar zelfkwelling is geen goede manier om met het verleden om te gaan, het geeft geen loutering.”

Mephisto

Door donkere dalen brengt de trein me van Klagenfurt naar Wenen, waar het Schauspielhaus in herfstig zonlicht baadt. Theu Boermans nuttigt zijn ontbijt op de stoep voor het theater en kijkt naar de door de Porzellangasse racende auto's. Erg vrolijk is hij niet want met zijn Faust-project ondervindt hij de ene tegenslag na de andere. Het is alsof de duvel ermee speelt: de eerste Faust-acteur hier in Wenen kreeg ernstige hartproblemen en de tweede werd met longklachten naar het ziekenhuis gebracht. Pas later horen we dat Manfred Meihöfer niet meer aan het infuus ligt en weer gauw zal mogen spelen. Na Boermans' ontbijt moeten de acteurs in het repetitielokaal het vooralsnog zonder Meihöfer stellen, zodat de regisseur dan maar besluit diens lange teksten te zeggen. Mephisto is er wel, een hermafroditisch wezen gespeeld door Beatrice Frey.

Samen met Faust valt Mephisto brave burgers aan, niet met fysiek geweld maar met gemene voorzetten en slinks geargumenteer. Al jennend en honend en weerzinwekkende waarheden verkondigend breken zij alle overtuigingen af waarop deze burgers hun bestaan hebben gebouwd. Ze plegen zelfmoord, die burgers, want hun leven is kapotgemaakt, hun zekerheid is hen ontnomen. De leraar, de dagbladuitgever, de maatschappelijk werkster: ze worden stuk voor stuk ontmaskerd als schijnheilige, corrupte of op z'n best naïeve mooipraters. Fossielen uit de jaren zestig en zeventig zijn het, die zich verschansen achter zelfvoldane slogans. Slogans die allang geen antwoord meer geven op de grote vragen van deze tijd.

Gustav Ernst en Theu Boermans, zelf kinderen van de jaren zestig en zeventig, voltrekken in Faust een ware Umwertung aller Werte. Eerst moeten de oude waarden worden vernietigd, dan komt er ruimte voor nieuwe gedachten. Zo zag Nietzsche het en de makers van Faust zijn het gloeiend met hem eens. Dat deze leermeesters met hun hardhandige aanpak een deel van het theaterpubliek flink voor het hoofd stootten bleek uit de première in Brussel. Toeschouwers liepen kwaad weg en zelfs de liberale kranten spraken schande van zoveel geweld en negativisme. De tekst van de Wiener Fassung is nog ietsje scherper dan die van de Brusselse oerversie: monologen zijn compacter gemaakt, personages geschrapt of met andere samengevoegd.

En bepaalde vertegenwoordigers van de gegoede burgerij zijn vervangen door Weense types. Zo is de dagbladuitgever speciaal voor de Weners het stuk binnengesmokkeld, want, legt Theu Boermans uit, “sommige krantenmagnaten hebben hier een gigantische politieke macht - via vriendjespolitiek, beïnvloeding van redacteuren en corrupte deals.” Wat ook veranderde is het decor. “Het theater komt aan één kant onder water te staan en er is een gat in de vloer zodat Mephisto en de dooien onder water kunnen verdwijnen of uit het water op kunnen komen.”

Gaan deze acteurs net als destijds die van De Trust uit de kleren? “Eh ja, ze gaan uit de kleren. Graz en Linz en Salzburg wilden mijn Faust ook graag hebben, maar dan wel met het dringende verzoek of ik een Unterhosenfassung kon maken. Ik heb gezegd: 'naakt is ook een kostuum' en voor de eer bedankt.”

Grote weerstand hebben de Weense acteurs niet zozeer tegen het bloot maar tegen het onderwerp. “Dat Medea d'r kroost vermoordt, dat weten wij nu wel, maar dat Faust, die moderne jonge kunstenaar, zijn eigen kind opeet, dat komt iets te dichtbij.” Ons fatsoen, fulmineert Boermans als een tweede Nietzsche, maakt ons blind voor de oorzaken van het geweld. “Pas als we het leren begrijpen kunnen we het enigszins controleren. Pas dan zien we in dat onze overtuigingen de grootste veroorzakers zijn van geweld. Jouw overtuiging wil je immers aan anderen òpleggen. We moeten de pretentie opgeven dat wij de zin van het leven kennen, dat scheelt een hoop ellende.”