Wayne is niet van ons allemaal

Dan Barden: John Wayne. A Novel. Doubleday, 179 blz. ƒ 51,60

Een filmster of andere media-beroemdheid aan het woord laten in een roman is een riskante onderneming. Als de ster nog leeft, dreigen kostbare juridische verwikkelingen, die het uitzicht op royalties kunnen benemen. Maar ook aan een ster die postuum straalt kan een schrijver lelijk zijn handen branden. Wie Presley, Monroe of een andere icoon van de populaire cultuur post mortem de schedel wil lichten, krijgt gauw het verwijt van lijkenpikkerij. Per slot van rekening zijn zulke iconen van ons allemáál.

Toch waagt de jonge Amerikaanse schrijver Dan Barden zich aan zo'n onderneming, in zijn debuut John Wayne. A Novel. Dit is geen biografie, maar een novelle waarin Barden in het reine probeert te komen met de helden uit zijn jeugd: wijlen John Wayne, de archetypische Amerikaan met wie hij op televisie en in bioscoopzalen opgroeide, en zijn ouders, die tezelfdertijd hun 'all-American' huwelijk uit elkaar zagen spatten. Beide werelden raakten elkaar kortstondig in de suburbane werkelijkheid van zuidelijk Californië, waar Bardens vader in de jaren zeventig als bouwondernemer werkte voor Wayne, en een van diens vele drinking buddies werd.

Die schakel tussen feit en fictie levert Barden zijn onderwerp. Hij schetst een drievoudig portret van Amerikanen, twee gewone en een beroemde, die worstelen met de grens tussen imago en werkelijkheid. Autobiografische scènes uit het huwelijk van zijn ouders worden verweven met episodes uit Wayne's loopbaan, om aan te geven hoezeer in beide feit en fictie door elkaar liepen. We ontmoeten Bardens vader, een alcoholicus, in dronkenschap op een Kerstfeestje bij Wayne thuis. We zijn erbij als Bardens gefrustreerde moeder, na een door alcohol aangevuurde echtelijke ruzie daar, alleen naar huis stuift, in Wayne's auto. We staan op het dek van zijn plezierjacht wanneer Wayne, dronken door een dekstoel gezakt, een mystiek visioen krijgt en zich verzoent met zijn leven en loopbaan. We zitten ten slotte aan Wayne's sterfbed samen met Henry Fonda, en luisteren mee naar hun treurige macho-anekdotes. Bardens ouders zijn inmiddels gescheiden.

Barden beschrijft deze scènes vanuit wisselend perspectief, met monologues intérieurs van Wayne, zijn ouders en Barden zelf. Dat is een hachelijke techniek en het resultaat is, helaas, onbevredigend. In de Amerikaanse pers is Barden geprezen om het 'scherpe maar tedere' portret van zijn ouders, en zijn 'subtiele' schets van Wayne als een zachtaardige eenling, vol twijfel over de status die zijn loopbaan hem heeft opgeleverd. Maar dat is te veel eer. Wayne's getormenteerde overpeinzingen zijn te zeer anachronistische kopzorgen, hem ingefluisterd door zijn reddende engel Barden. De besognes van Bardens ouders, op hun beurt, zijn te prozaïsch, zodat de lezer achterblijft met een overdosis gerehabiliteerde, maar fictieve Wayne en een te korte glimp van twee echte mensen aan de rand van een echtelijke afgrond.

Dat bezwaar geldt zeker voor Europese lezers, voor wie John Wayne altijd eerder een potsierlijke dan een heroïsche figuur is gebleven. Wayne heeft in de oude wereld nu eenmaal nooit de status bereikt die hij in Amerika nog steeds schijnt te genieten. De behoefte hem te 'humaniseren' is zodoende afwezig. Een schrijver die de western-kolos in een tequila-roes door een dekstoel laat zakken, Bardens opvatting van tragiek, prikkelt bij ons alléén maar de lachspieren. Barden heeft in dat opzicht pech met zijn hoofdpersoon; John Wayne is nu eenmaal níet van ons allemaal.

Toch laat deze novelle zich, in alle ongewild hilarische scènes, ook op een andere manier lezen. In de melancholieke beschrijvingen van het valse Suburbia lijkt het, onbedoeld, een geslaagde satire op literatuur waarin de 'leegheid' van Amerika wordt ontleed. Die diagnose van de condition américaine als een 'hyperrealiteit', waarin de werkelijkheid door de media zowel verhevigd wordt als totaal vervluchtigd raakt, is inmiddels zo vaak gesteld en herkauwd dat het een intellectualistische platitude is geworden. Zie voor een recent voorbeeld Douglas Couplands Polaroids en diens idee van 'denarratie', het wegvallen van het besef dat een mensenleven een samenhangend verhaal is. Satire zou welkom zijn, temidden van zoveel luchtig bedoelde gewichtigheid.

Dan Barden wil geen satiricus zijn, daarvoor neemt ook hij de Californische mythe te serieus. Hij wil zijn helden in volle ernst redden van de mediamieke schemering waarin ze dreigen te verdwijnen. Maar om die kloof tussen feit en fictie te dichten zal toch één van beide moeten wijken.

En die bittere keus gaat Bardan met zijn faction uit de weg. Hij blijft een Amerikaan.