Waarom Goebbels van jazz hield

Horst J.P. Bergmeier en Rainer E. Lotz: Hitler's Airwaves. The inside Story of Nazi Broadcasting and Propaganda Swing. Yale University Press, 368 blz. ƒ 78,30

Nazi's en jazz. Een grotere ongerijmdheid lijkt welhaast ondenkbaar. Nationaal-socialisten beschouwden jazz immers als minderwaardige negermuziek die door joden uit de Verenigde Staten werd geïmporteerd en die dus niet kon passen in een arische Übermenschcultuur. Dat weerhield de Duitsers er niet van jazz en de verwante swing te gebruiken voor hun radio-uitzendingen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Dit onderwerp vormt een van de boeiendste hoofdstukken uit Hitler's Airwaves, een studie over de propagandarol van de Duitse radio, geschreven door de Duitse jazz-liefhebbers Bergmeier en Lotz. Die geschiedenis is niet onbekend. Vijf jaar eerder publiceerde Michael Kater zijn boek Different drummers. Jazz in the Culture of Nazi Germany (Oxford University Press), die het onderwerp in de Duitse jazz-traditie plaatste en de wortels tot in de Republiek van Weimar blootlegde. Maar anders dan Kater benaderen Bergmeier en Lotz het onderwerp niet vanuit de muziek maar vanuit de personen en de instituties (radiostations en het ministerie van Goebbels).

Radio moest in het Derde Rijk de Nieuwe Orde propageren en Duitsland daarbij niet alleen militair, politiek en economisch maar ook een cultureel steun verlenen. In 1943 beschikten de Duitsers over 23 kortegolfzenders en konden ze vrijwel elke plek op de wereld bereiken. Speciaal voor propaganda in Europa en in het bijzonder voor de strijd tegen Engeland werd door Die Deutschen Europasender in 27 verschillende talen uitgezonden. Wat opvalt is het aanzienlijke aantal buitenlanders dat zich voor Hitlers propagandakarretje liet spannen: met name Amerikanen en Engelsen. Zo was er de controversiële dichter Ezra Pound, die vanuit Rome, in het American Hour, om de drie dagen tien minuten mocht fulmineren tegen een Amerikaanse interventiepolitiek. 'For God's sake', waarschuwde Pound, 'stuur jullie jongens niet hierheen om te sterven voor Shell Oil Company en de joodse oorlogsprofiteurs'. De meest succesvolle agitator onder de Anglo-Amerikaanse collaborateurs was de fanatieke William Joyce, die met zijn onmiskenbare upper-class tongval voor de Duitsers van onschatbare waarde bleek en berucht werd als Lord Haw-Haw. Joyce verzorgde vanaf september 1939 het programma Germany Calling, dat bijzonder in de smaak viel bij Goebbels en waarvoor de Rijkspropagandaleider zelfs door de Führer werd gecomplimenteerd. Om meer luisteraars te trekken werd zijn programma opgeluisterd door een speciaal in het leven geroepen swing-orkest, Charlie's Orchestra, dat hits speelde van onder meer de Dorsey Brothers, Harry James, Glenn Miller en Benny Goodman. De meeste musici kwamen ook uit het buitenland, onder andere uit Nederland: de saxofonist Barend 'Bob' van Venetië en pianist Joop 'Tip' Tichelaar.

Wat het effect van de uitzendingen was, komt bij Bergmeier en Lotz echter nauwelijks aan de orde. Kater zegt daar veel meer over. De Britten luisterden vooral naar Lord Haw-Haw omdat hij voor hen een zekere amusementswaarde had: ze moesten om hem lachen. Zijn uitzendingen waren bovendien van belang omdat hierin de namen van geallieerde soldaten werden genoemd die pas krijgsgevangen waren gemaakt. De Duitsers zelf konden officieel niet afstemmen op de propagandaprogramma's, zij moesten het voornamelijk doen met de schlagers uit het populaire radioprogramma Wünschkonzert für die Wehrmacht. Illegaal waren de Duitsers wel in staat om BBC-uitzendingen op te vangen, omdat de Engelsen wisten in te breken bij de reguliere Rijkszenders. Hoezeer Goebbels ook dreigde met draconische straffen voor het luisteren naar de vijandelijke radio, hij kon niet voorkomen dat de geallieerde uitzendingen met hun jazz-muziek een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenden op de nieuwsgierige Duitse luisteraars. In 1943 schatte de BBC dat zo'n drie miljoen Duitsers naar hun programma's luisterden.

Hoewel Hitler's Airwaves nogal mank gaat aan een gebrekkige structuur en een synthese ontbreekt, biedt het boek toch een welkome aanvulling op een intrigerend hoofdstuk uit de Duitse radio- en muziekgeschiedenis. Dat is vooral te danken aan de enorme hoeveelheid verantwoorde details, een uitvoerige discografie en een toegevoegde cd, waardoor je nu eens echt kunt horen hoe Charlie's Orchestra en Lord Haw-Haw over de radio hebben geklonken.