Verwonderd over het alledaagse

Erik Menkveld: De karpersimulator. De Bezige Bij, 44 blz. ƒ 32,50

In het poëziedebuut van Erik Menkveld wordt veel gekeken. Waar andere dichters de taal op stelten zetten, zet Menkveld de ogen op steeltjes. Hij doet dit met zijn eigen zintuigen, maar vooral ook met die van andere wezens: een paard, een parende koe, een zijdehandelaar, een uitgerangeerde variété-artiest, een werkster in een kathedraal.

Dat vereist een wendbaar inlevingsvermogen; maar daarmee heeft Menkveld geen moeite. Hij is ook volop bereid om zijn lezers in die kunst te laten delen. Het eerste gedicht van De karpersimulator is al een oefening in verwonderd kijken door mentale verplaatsing: Ga maar even zitten denken aan zeer bepaald maar willekeurig zand ergens in de aarde, een verloren compositie van Anonymus, gevaar dat iemand liep in 1860, alle lucht die Coltrane ooit heeft ingeademd - en kijk eens wat een kleuren in de ramen van je tijdelijke huis bij lage zon.

Hoe programmatisch dit openingsvers mag worden opgevat, blijkt uit het tweede gedicht, waarin Menkveld zich een oude boxer uit zijn kindertijd herinnert. De hond wordt plastisch beschreven (als een veel te vol gepakte koffer) en dan vertelt de dichter hoe het dier hem aankeek tot hij dacht: 'ik had hem makkelijk / kunnen zijn, en niet alleen / hem, dat kleed ook, / die clubfauteuil, / dat teakhouten buffet...'

In alle volgende gedichten wordt deze prille verwondering in wisselende variaties uitgewerkt. Soms als niet meer dan een schets of waterdunne aquarel (zoals in 'Zomerlinde'), dan weer in een minutieus uitgewerkte metafoor (zoals 'Hinniken' en 'Koebeest en vrouwdier'). En het is niet alleen een kijkfeest; ook het oor komt in De karpersimulator aan bod. Niet het minst in vier klankrijke gedichten over muziekstukken van Dufay, Janácek, Messiaen en Skrjabin. Daarin toont Menkveld ook hoe superieur terloops hij zijn kennis in lyriek weet om te zetten. Een schoolvoorbeeld van dit vakmanschap is 'Nuper rosarum flores', dat Brunelleschi aan het woord laat over het vierstemmig motet van Dufay ('een kale Kamerijkse klootzak') waarmee de door hem overkoepelde Santa Maria del Fiore in 1436 in Florence geopend werd. Beeldend, maar vooral ook nijdasserig is in deze boutade de strijd om aandacht tussen oog en oor verwoord.

Zoals in dit gedicht krijgt de intellectuele ballast in veel andere verzen van De karpersimulator een tegenwicht van nonchalant gepresenteerde humor. Doorgaans gebeurt dit verstolen, met de tong in de wang. Een enkele keer ook wordt de ridiculiteit in het oor gevangen en rechtstreeks blootgegeven, zoals in 'Nieuwe knieën': 'Vervelend zeg. Hoe is het met je vissen?' 'Goed eigenlijk. Maar ik zie jou nog nieuwe knieën moeten.' 'Ja. Die moestuin zal ik missen.'

Dit is eerder gedaan - door K. Schippers bijvoorbeeld, aan wiens blikveld het oog en oor van Menkveld verwant zijn. Maar in De karpersimulator vormen deze geïsoleerde gespreksflarden slechts één variant van verwondering. Menkveld herhaalt zich zelden. Hooguit is er een echo, zoals wanneer een kapitein in het tweede vers na 'Nieuwe knieën' de vertraging van zijn stoomschip verklaart met: 'de kolen waren niet op, / de kolen waren ziek...'

De kracht van Menkvelds poëzie zit in zijn principiële verwondering over het alledaagse. Die wil tot blijvende verbazing maakt dat hij zonder vooroordelen, met steeds nieuwe ogen, in de wereld kijkt. Daarbij komt dat hij zich ook in zijn taalgebruik niet belemmeren laat door tradities. Zijn beeldspraak is dan ook even persoonlijk als vanzelfsprekend. Een gehoorapparaat wordt 'De slak op haar oor' en de lente wordt treffend verbeeld in het strekken van de stramme leden in een vossenhol 'en het inleidend duwen / met koude neuzen tegen / gevoelige plekken.' Het is allemaal gezien, gehoord en doorvoeld - en zo zintuiglijk als het door Menkveld ervaren werd ook vastgelegd.