Televisie

Mijn vader had een grondige afkeer van radio, en later ook van televisie. Hij hield ook niet echt van film; ik ben maar één keer met hem naar de bioscoop geweest. Dat was in Frankrijk, we zagen Le gendarme de Saint Tropez met Louis de Funès, een volstrekt idiote film waar hij het jaren later soms nog over had.

Als mijn moeder de radio aanzette werd het heel stil in huis, je kon het geluid op alle etages horen. Ik rende dan naar beneden en we luisterden naar komische programma's; er was een met een jongen met een schorre stem die tot mijn verbazing een volwassene bleek te zijn.

Leslie Phillips, mijn lievelingsacteur, had een zachte stem; hij speelde in een serie over de Marine. Er waren andere komische programma's die ik wel heel grappig vond hoewel ik er niet veel van begreep. Mijn moeders lievelingshoorspel op de radio was van lang voor die tijd: het ging over een hond die 'Upsy' heette. Als hij binnen kwam begon iedereen te schreeuwen: 'Down, Upsy!'

Later was ik de enige in de klas die thuis geen televisie had; mijn broer en ik gingen iedere dag kijken bij de buren. Tenslotte kregen ook wij een televisietoestel, het was een oude met een kamerantenne. Soms was er geen geluid, of geen beeld, en dan gaven wij een harde dreun op het toestel. En soms moest iemand ernaast staan om de antenne omhoog te houden; hoe voorzichtig je hem daarna ook neerzette, het ging meteen weer mis. Mijn moeder kwam soms stiekem kijken, maar mijn vader niet; iets dat hij ook verfoeide was het Amerikaans accent. Nee, dat is niet helemaal waar, er was één uitzondering: als er een film van de Marx Brothers was dan kwam hij kijken. Maar hij ging niet zitten, hij bleef de hele film staan.