Rouwbeklag

De mannen waaruit ik besta schoven misnoegd hun memo's over de vergadertafel. “Het is me nogal wat”, zei een van hen. “Jaap van Meekren, Joop van Tijn, W.L. Brugsma dood. We mogen ons gelukkig prijzen dat we hen niet persoonlijk hebben gekend. Dan zaten we nu met het probleem van de rouw. Op onze leeftijd dreigt rouwen een routine te worden. Beschamend.”

“Het klopt niet wat je beweert”, zei een ander. “Hoeveel journalisten en schrijvers die we wèl gekend hebben zijn er niet dood? Een schok bij het bericht, een kleine explosie van herinnering. Daarbij bleef het. We hadden hen lang niet meer gezien. Ze leefden in ons verleden. Dat konden ze blijven doen al waren zij dood. Wanneer in ons heden iemand doodgaat rouwen we.”

“Het ligt eraan”, zei een derde. “Het is lang geleden, we waren van middelbare leeftijd en onze ouders stierven. Ze verdwenen in de dood toen ze al niet meer in het leven thuishoorden. Was dat rouw, die verwarring later? We raakten onze vader niet kwijt in onze gedachten en dromen hoewel wij opgelucht waren, voor hem, voor ons, dat hij niet meer afasisch en half verlamd in een kamertje moest zitten suffen. Hij spookte.”

Een vierde plaatste zijn ellebogen op de tafel, bracht zijn vingers naar zijn mond en prevelde: “Ik eet de doden op.”

“Dat is onzin”, zeiden wij, “dat is poëzie. We zitten in een vergaderzaal, niet in een kroeg. Haal je ellebogen van tafel en praat gewoon.”

“Ik eet ze op”, zei hij, “ik neem hen tot mij, en het gevolg is dat ze mijn lichaam als mijn taal beheersen. Ik laat dat niet merken. Ik zeg gewoon bij het eten: 'Hm, smakelijk', met mijn kleine schorre stem en niemand hoort dat ik eigenlijk met een deftige bas declameer: 'Dit is bééstachtig lekker.' Zo gaat het de hele dag. Het was zo'n aardige man, bijna negentig. Hij at niet veel meer, god, gewoon een buurman met wie ik het kon vinden. Als ik eens opsomde wie ik allemaal heb opgegeten, onze vader, onze...”

“In godsnaam”, riepen wij, maar degene die ons gesprek was begonnen zei peinzend: “Het komt me bekend voor, dit verhaal. Het heeft geloof ik niets met onze ouderdom te maken. We hebben ooit een gedicht geschreven over de dood van giraffen, en het derde deel begint met de regel 'De doden leven nog in ons'. Dode honden, dode insecten, dode vogels, wie niet allemaal, en dan ook nog drie dode giraffen. Jongens, het is nog niet zo gek wat die kannibaal beweert, het is een soort rouw, overgeërfd uit een primitieve cultuur. Laat die man zijn doden maar opeten. Wat hebben we nog meer?”

Wij haalden onze schouders op en brachten onze memo's naar onze ogen. Een van ons zei: “De dood van prinses Diana”, een ander zei: “Het tv-interview met de prins van Oranje”, en een derde zei: “Het is toch vreemd. Daar denk je een dag over, daar lees je een week over, en dan is het op. Ik kan met geen mensemogelijkheid nog iets denken over Diana en Willem Alexander. Jullie?”

“Nee”, zeiden wij in koor, “met geen mensemogelijkheid.”

“En er werd zo exuberant gerouwd om de prinses”, zei een van ons. “Dat geeft toch te denken.”

“Altijd hetzelfde”, zei een van ons, en stampvoette. “Stof te over om te denken. Is prinses Diana een icoon, een idool, een symbool? De commentatoren die daarover nadenken zetten meestal uiteen dat het gebruikte woord uit het klassieke Grieks komt. Dat geeft hun speculatie iets deftigs. En wij. We hebben geen mening, we komen nooit te weten wat we ergens van vinden. Het is een ramp. Zowat emoties, braaf-burgerlijk-redelijk-humanistisch-bangig, en we weten dat, we kennen onze onnozelheid! Nooit een standpunt.”

“Ik heb hier nog een memo van vorige maand”, zei een ander, zuchtend. “Het versterven. Daar is veel over te doen geweest, na een pijnlijk incident, en in het verkeerde seizoen. Het is toch geen zomeronderwerp voor als de journalisten met vakantie zijn? Beter voor de herfst. Heeft iemand er iets over te zeggen?”

“Nee”, zei een ander. “Omdat ik geen principes heb weiger ik principieel te oordelen over euthanasie, zelfmoord, versterven.”

Wij lachten.

“Ik kan niet abstract denken”, zei de man die wij de kannibaal hadden genoemd. “Ik heb beelden voor me. En dan nog van mensen die ik bij hun sterven niet eens heb gezien. Die mensen waren op, oud, ziek, zo nu en dan bang voor hun waanvoorstellingen, wilden niet drinken of eten, en dan staat er een afgestudeerde ethicus aan hun bed die volhoudt dat ze pas mogen sterven als ze nog via een sonde kunstmatig zijn gevoed. Daarna pas sterven zij een natuurlijke dood. Ik kan niet denken maar ik vond het een rare redenering.”

“Het was een criminoloog”, zei een ander, sussend. “Wie, volkomen dement, niet meer wil drinken en eten moet ertoe gedwongen worden. Gebeurt dat niet dan is er sprake van moord. Een wilsonbekwame is niet in staat zijn natuurlijke dood te kiezen.”

“Godbewaarme voor de ethici en criminologen”, zei de kannibaal. “En iedereen heeft respect voor het leven. Uit respect voor het leven laten ze versterven of verbieden ze te laten versterven. Wat een lelijk woord overigens.”

Een ander zei: “Een van de vele commentatoren schreef: ik kies voor het leven.” Wij lachten.

“Ik heb ook veel stichtelijks gelezen over zin en schoonheid van het lijden”, zei een van ons. “Je lult uit je nekharen, denk ik dan. Vreemd, zo grof in de bek en ongevoelig ben ik in het algemeen niet. Ik verruw tijdens dit gesprek, ik verval tot het platste materialisme. Ik wil opgeruimd worden als ik diep dement ben.”

“Herinner jij je die stokoude, verlamde, onwijze vrouw in het verpleeghuis?”, zei een ander peinzend. “Ze werd in een rolstoel de tuin in gereden en voorzichtig in de zon gezet. Alles was verstard, ook haar gezicht. En kennelijk omdat ze de zon voelde trokken haar mondhoeken op in een lach. Roerend was dat, pijnlijk roerend.”

“En dat is een reden om...”, zei een ander kwaad.

“Laat maar”, zei de kannibaal. “Wij kennen geen ernst. We horen mensen zeggen: maar er is toch meer tussen hemel en aarde..., schudden droevig het hoofd en antwoorden: nee, want er is geen hemel.”