Rome een bordeel, Amsterdam een groot spinhuis; Twee steden in de zeventiende eeuw

Peter van Kessel en Elisja Schulte (red.): Rome - Amsterdam: Two growing cities in seventeenth-century Europe. Amsterdam University Press, geb. 333 blz. ƒ 89,50

Moet het schrijven van wetenschappelijke boeken worden overgelaten aan wetenschappers? Zouden wetenschappelijke publicaties - voor zover ze de bedoeling hebben lezers van buiten het eigen vakterrein te trekken - niet gebaat zijn bij de diensten van professionele schrijvers? De vraag dringt zich op bij het lezen van Rome - Amsterdam: een ambitieuze bundeling cultuurhistorische opstellen over twee steden die in de zeventiende eeuw een bloeiperiode doormaakten. Een wervende tekst van de uitgever maakt duidelijk dat het boek niet alleen voor insiders bestemd is. Het is van waarde voor: 'specialisten op het gebied van stedelijke geschiedenis, cultuurgeschiedenis en architectuurgeschiedenis, maar ook voor iedereen met interesse in de geschiedenis van Rome of Amsterdam.'

Wanneer een dergelijk breed publiek wordt aangesproken, schept dat verplichtingen aan de schrijvers of samenstellers. Ik vrees echter dat een groot deel van de bijdragen te dor en te taai is om geïnteresseerde buitenstaanders te bekoren. Niemand van de hierboven omschreven doelgroep zal het boek in zijn geheel uitlezen zonder gekreun en gezucht. Dat ligt niet aan het onderwerp; het initiatief om studies over twee zeventiende eeuwse steden in een boek naast elkaar te plaatsen verdient lof. Waar het aan schort is de presentatie, de ordening van de feiten, de toonzetting.

Zakenman

Een hoofdstuk over Italianen in Amsterdam (door Antonella Bicci) beperkt zich bijvoorbeeld tot een pagina's lange opsomming van families en (handels)activiteiten. Daarbij wordt het vermelden van oeverloze familie-genealogieën niet geschuwd. Om onnaspeurbare reden heeft Bicci ook plaats ingeruimd voor een Italiaans zakenman die in het begin van de achttiende eeuw succesvol was in Catalonië. Daarmee is meteen een tweede bezwaar genoemd. Sommige auteurs lappen de restricties van tijd (zeventiende eeuw) en plaats (Rome en Amsterdam) wat al te nadrukkelijk aan hun laars.

Sjoerd Faber doet in een hoofdstuk over de rechtspraak in Amsterdam interessante observaties over de manier waarop het begrip 'kleine criminaliteit' in de loop der eeuwen van betekenis is veranderd. Het probleem is dat hij zich niet tot de zeventiende eeuw beperkt en vrijelijk door vier eeuwen rechtspraak fietst. Zijn bijdrage heeft nauwelijks aanknopingspunten met het voorgaande hoofdstuk over de rechtspraak in Rome. En waarom valt Faber de lezer zo lang lastig met de moeilijkheden die het interpreteren van cijfers en statistieken met zich meebrengt? Waarom kunnen veel auteurs niet nalaten te verzuchten dat de materie die ze behandelen 'complex' is, dat de onderzoeksresultaten 'niet eenduidig' zijn, dat er op verschillende gebieden 'meer onderzoek' gedaan zal moeten worden?

Daarmee is nu ook weer niet gezegd dat alle bijdragen in dit boek een beroep op het incasseringsvermogen van de lezer doen. Van A.Th. van Deursen is genoegzaam bekend dat hij over een goede pen beschikt. Hij schreef een bondig en boeiend hoofdstuk over kerkelijke en stedelijke autoriteiten in Amsterdam en constateert dat er nogal selectief werd omgesprongen met beschuldigingen van 'paperij'. De burgemeesters hadden weinig bezwaar tegen katholieken zolang die maar niet aan hun macht tornden. De mate waarin andere (dat wil zeggen niet-protestantse) geloofsovertuigingen in Amsterdam werden getolereerd, hing samen met hun standpunten over de relatie tussen kerk en staat. Een religie kon in betrekkelijke vrijheid worden beleden zolang de autoriteit van de kerk niet openlijk boven die van de staat werd gesteld. Bij een scheuring in de geloofsgemeenschap van de Mennonieten in 1664 maakten twee partijen aanspraak op het kerkgebouw. De burgemeesters bogen zich persoonlijk over de kwestie. Ze lieten zich daarbij niet leiden door enige inhoudelijke kennis over het geschil maar wezen het gebouw toe aan de partij die zich het meest gehoorzaam jegens de autoriteiten had betoond.

De verschillen tussen Rome en Amsterdam worden mooi op scherp gesteld in twee hoofdstukken over sociale voorzieningen en armenzorg. In Amsterdam werd Rome minachtend vergeleken met het zondige Babylon: de stad zou één groot bordeel zijn en niet over charitatieve instellingen beschikken. Omgekeerd werd in Rome schande gesproken van de manier waarop de armen in Amsterdam in rasp- en spinhuizen aan het werk werden gezet. Paus Innocentius XII beschouwde zulke gesloten armenhuizen als gevangenissen.

Ook de hoofdstukken over alledaagse politiek in Rome en Amsterdam zijn helder en prikkelend geschreven. Ter sprake komt onder andere hoe in Rome de staat zich met de gemeente bemoeide, terwijl - omgekeerd - in Amsterdam de gemeente zich volop in staatszaken mengde en een aanzienlijk deel de buitenlandse politiek van de Republiek bepaalde. De auteurs (Laurie Nussdorfer en Henk van Nierop) hebben hun bijdragen nauwkeurig op elkaar afgestemd en gaan een directe vergelijking tussen Rome en Amsterdam niet uit de weg.

Die onderlinge samenhang is minder nadrukkelijk aanwezig (of zelfs afwezig) bij de andere thema's die steeds in twee hoofdstukken - één over Rome en één over Amsterdam - zijn onderverdeeld.

Bentvueghels

Uit het voorwoord valt op te maken dat de lezer aan dat gebrek aan samenhang niet al te zwaar moet tillen. Gesteld wordt dat het boek geen: 'comparative study' is. Gelet op titel en opzet is dat een merkwaardige mededeling. Alsof je in een bewaakte garderobe een bordje aantreft waarop staat dat de directie zich 'niet aansprakelijk' stelt voor diefstal. De uitspraak dat de vergelijking tussen Rome en Amsterdam aan de lezer wordt overgelaten, wekt de indruk dat de samenstellers die verantwoordelijkheid zelf niet aandurven.

Ook de verantwoording bij de illustraties roept vragen op. Op een omslachtige manier wordt duidelijk gemaakt dat sommige auteurs zich wel en andere niet de moeite hebben getroost illustratiesuggesties te doen en dat de samenstellers het - met uitzondering van één plaatje - daar maar bij hebben gelaten. Dat maakt het boek nogal onevenwichtig: in sommige hoofdstukken worden illustraties node gemist. Op andere plaatsen blijft onduidelijk wat de relatie tussen plaatjes en tekst nu eigenlijk is. In het hoofdstuk over Nederlanders in Rome komt paginagroot een gravure voor van een groep 'Bentvueghels'. Het gaat om een omvangrijke groep Nederlandse schilders die zich in een soort vakbond (de zogeheten 'Bent') hadden verenigd. Pogingen van de (officiële) Academie de concurrentie van deze Nederlanders te beteugelen en ze uit Rome te weren, liepen spaak, omdat ze bescherming genoten van voorname Italiaanse opdrachtgevers. Die waren gecharmeerd van de landschappen en genretaferelen waarin Hollandse en Italiaanse kenmerken werden vermengd. De Utrechtse schilder (en Bentvueghel) Jan Baptist Weenix had er veel succes mee en werkte onder meer voor paus Innocentius X en diens familie.

Deze uitleg valt evenwel niet te lezen in het desbetreffende hoofdstuk. Daar wordt het woord 'Bentvueghels' niet eens genoemd. In plaats daarvan beweert Elisja Schulte dat heel weinig Nederlandse schilders in Rome aanzien wisten te verwerven. Ze stelt dat slechts een enkeling zich kon meten met de succesvolle Italiaanse schilders en dan nog alleen als hun werk gespeend was van Vlaamse of Nederlandse invloeden. Het is een bewering die moeilijk te rijmen valt met het succes van voornoemde Bentvueghels. Of zou deze tegenstelling ook worden overgelaten aan de interpretatie van de lezer?