Roman van een streek door Luis Landero; In de schaduw van de Veroveraar

Luis Landero: Ridders van fortuin. Uit het Spaans vertaald door Elly de Vries-Bovée. Menken Kasander & Wigman, 317 blz. ƒ 39,50

Het geheime centrum van veel Spaanse dorpen is een bank waarop oudere inwoners de dag doorbrengen en het leven om hen heen observeren. Vaak is er een bank voor mannen en één voor vrouwen. De eerste groep zwijgt het grootste deel van de dag, de tweede af en toe. Hun ontgaat niets; zij zijn de oren en ogen en het geheugen van de goegemeente. Ze blijven hardnekkig hun bank bezet houden, zelfs als het dorp uitgroeit tot een stadje, en het stadje tot een metropool. Ook de Spaanse wereldsteden kennen deze onopvallende vergaderingen, op pleinen die al lang verkeersknooppunten geworden zijn. Overschaduwd door fly-overs en en ondergraven door metrotunnels houden zij stand, ook al kan hun waarneming het leven van de stad al lang niet meer bevatten.

Zo'n bank is het middelpunt van Ridders van fortuin, de tweede en tot nu toe laatste roman van Luis Landero, die drie jaar geleden verscheen en nu in het Nederlands is vertaald. Het is geen rumoerige bank, want hij staat op een plek waar de modernisering van Spanje nog niet heeft toegeslagen. Landero's vertelling speelt in een stadje in Extramadura, een schrale landstreek tegen Portugal aan, waar hij zelf geboren werd. In vroeger eeuwen bracht het land voornamelijk conquistadores voort; Pizarro is er de beroemdste van. Tegenwoordig wordt de ooit zo dorre aarde dankzij de hulp van de Europese Unie almaar vruchtbaarder.

Ook het naamloze stadje van Landero's roman wordt gedomineerd door een Veroveraar: de (waarschijnlijk fictieve) don Quintín de Vargas y Ventura, die ooit Chili zou hebben ingenomen en nu, als standbeeld, de zwijgzame toeschouwers op hun bank van schaduw voorziet. De langzame teloorgang van het platteland weerspiegelt zich in hun aantal. Ooit, vertelt de anonieme bankzitter die het verhaal doet, uitsluitend in de eerste persoon meervoud, alsof hij sprak uit naam van het collectief geheugen, waren zij met meer dan dertig; nu resteren er nog zes. Zij observeren en schuifelen met hun voeten als er zich iets opmerkelijks voordoet. Zo is er onder de bank inmiddels een hele geul uitgesleten, want alles kan wereldschokkend worden wanneer de wereld bijna stil staat.

Roerige tijd

Beweging kwam er in het stadje met de komst van Belmiro Ventura y Vega, een verre afstammeling van de Veroveraar en, naar gefluisterd werd, puissant rijk. Dat was in het najaar van 1977, een roerige tijd in Spanje. Franco was net twee jaar dood en in de steden bereikte de terreur die zich tegen de democratie verzette een dieptepunt. Maar in het verre Extramadura was daarvan nauwelijks een echo hoorbaar. Het leven zette zich tijdloos voort, met de archetypische ongetrouwde schooljuf als flakkerend lichtpunt van hogere beschaving - en voor de scholieren tegelijk als object van broeierige fantasie.Met de ongevaarlijke getikten en simpelen van geest die van oudsher tot de pittoreske eigenaardigheden van plattelandsstadjes heten te behoren. En met de al niet minder getikte bevlogenen, wier mentale bestaan vele male groter was dan het leven zelf.

Rond die figuren heeft Landero zijn roman geweven. Rond Julio Martín Aguado, stoffenhandelaar en bewonderaar van Ortega y Gasset, wiens opiniërende gaven zich jarenlang beperkten tot uitroepen als 'Tja, dat is me wat!' en 'Toe maar!', tot hij op een dag met één woord een openbare ruzie beslechtte en zichzelf sindsdien in hoogdravende krantenartikelen te pas en te onpas als vredestichter opwerpt. Rond Esteban Tejodor Estévez, de licht zwakzinnige melkrondbrenger die zichzelf de legitieme erfgenaam van de Veroveraar waant en met diens schatten hoopt de dochter van de plaatselijke landbezitter te trouwen. Rond Luciano Obispo, het engelachtig zoontje van de kwezelachtige Cándida Rebollo, ooit zwanger geraakt van iemand die zij aanzag voor de heilige naar wie zij haar zoon vernoemde, maar in werkelijkheid waarschijnlijk van een langstrekkende herder. Rond de schoolmeesteres Amalia Guzmán en rond Belmiro Ventura, wiens rijkdom zich voornamelijk tot zijn boeken beperkt en die op oudere vrijgezellenleeftijd alsnog voor de schooljuffrouw valt.

Het zijn ingrediënten die met minder talent dan dat van Landero gemakkelijk tot een Spaanse streekroman hadden kunnen leiden. Boerse excentriciteit heeft het daarin altijd goed gedaan, en van excentriekelingen zit het boek vol. Toch maakt Landero zich niet op simpele wijze vrolijk over zijn figuren, behalve misschien over don Julio, de karikatuur van dorpse Verlichting en bijpassende grootheidswaan, die soms heimelijk hoopt op een nieuwe Burgeroorlog, opdat hij zijn rol van Grote Verzoener ten volle zal kunnen spelen. Het is het enige moment waarop de hachelijkheid van het jaar 1977 in het boek doorklinkt (veelzeggend ontdekt don Julio zijn roeping tijdens een straatruzie in Madrid). De anderen hebben hun eigen beslommeringen: Luciano zijn verliefdheid op Amalia, Esteban zijn verlangen naar rijkdom, Amalia haar zorg om Luciano (die zij één keer verleidt, zichzelf voorhoudend door hem verleid te worden) en Belmiro de zorg om zijn door muizen aangevreten boeken en later om zijn liefde voor een vrouw die zijn dochter had kunnen zijn.

Geen van hen ziet zijn verlangen werkelijkheid worden en de melancholie over dat gezamenlijk echec, dat niettemin een falen van ieder voor zich is, tilt het boek boven de streekroman uit. Vergeefsheid hangt massief boven het menselijk bedrijf, des te zichtbaarder naarmate dat van grotere afstand en met meer onthechting bekeken wordt. Daar zijn de bankbewoners goed in, en daarom cirkelt het hele verhaal om hun observatie, die in het verhaal slechts uiterst summier ter sprake komt. Zij zijn de witte plek op de kaart, waarin alle opwinding zich tot berusting neutraliseert. Om de afstand nog groter te maken, laat Landero hun woordvoerder het verhaal bijna twintig jaar later vertellen, in 1993, wanneer alles al geschiedenis geworden is en zelfs van de hoogst opslaande golf slechts een rimpel is overgebleven.

Dat Ridders van fortuin bij verschijning in Spanje nogal teleurstellend gevonden werd, is niettemin wel te begrijpen. Vijf jaar eerder, in 1989, was Landero gedebuteerd met zijn roman Juegos de la edad tardía (Spelletjes op latere leeftijd), dat hem op slag beroemd maakte. Zoveel originaliteit als in dit verhaal over twee onbetekenende mannen die elkaar opjutten in fantasieën over hun eigen, geheel illusoire grootheid en daarmee tenslotte een dramatische wending geven aan hun eigen bestaan, was men in lange tijd in de literatuur niet tegengekomen. In 1992 werd het boek vertaald onder de titel De geschiedenis van een onbegrepen man, maar het bleef in Nederland vrijwel onopgemerkt. Nadat het was geëindigd in de ramsj, mocht Maarten 't Hart er in de toenmalige rubriek Gevallen boeken in deze krant alsnog de loftrompet over steken.

Vergeefsheid

Er zijn duidelijke overeenkomsten tussen de twee romans van Landero, waarvan die van de vergeefsheid de duidelijkste is. Maar zijn debuutroman was zowel harder als hoopvoller van toon. Troosteloos is vooral de stadse miezerigheid waarmee Landero zijn verhaal begon: een soort van naoorlogs existentialisme waarvan de scherpe kantjes alleen maar werden versterkt door de ironische toonzetting. Ook hier was de historische inbedding niet toevallig. Het boek speelde zich grotendeels eind jaren zestig, begin jaren zeventig af, waarin Spanje nog somberde onder een beklemming die de rest van Europa al vijftien of twintig jaar eerder had afgelegd. Het einde van het tijdperk naderde, maar de stagnatie die al vanaf de jaren dertig duurde was nog niet voorbij.

Tegelijk is het boek hoopvol, omdat de twee hoofdfiguren zich in hun fantasie wel uit die troosteloosheid bevrijden, al is het de vraag of ze daar op dat moment veel gelukkiger van worden. Wat niemand hen dan echter nog afneemt, is het gevoel van een groots leven dat, hoe denkbeeldig ook, voor hen minstens enige tijd werkelijkheid was. In Ridders van fortuin blijken ze, na de stad te zijn ontvlucht, tenslotte terecht te zijn gekomen op de bank in de schaduw van de Veroveraar, waar ze sindsdien herinneringen ophalen aan hun grootse tijden.

Naast de existentialistische ironie van zijn debuut steekt Landero's tweede roman als veel humanistischer af. De onbarmhartigheid van vooral de eerste tachtig bladzijden van het debuut heeft plaats gemaakt voor een mildheid die heet te komen met de jaren en met de onthechte blik van toeschouwers die alles al wel eens hebben zien gebeuren. Ridders van fortuin is ongetwijfeld minder opmerkelijk, minder prikkelend en toegeeflijker dan De geschiedenis van een onbegrepen man. Zo'n zachtmoedig vervolg op een ongehoord debuut wordt een schrijver dan al snel kwalijk genomen.

Toch verdient Landero's tweede die afkeuring niet. Het boek houdt, wanneer men het op zijn eigen merites beoordeelt, voortreffelijk stand. Het is geestig, ontroerend en op een enigszins grootvaderlijke manier wijs; en het is voortreffelijk geschreven, ogenschijnlijk uit één adem - zoals men het ook in één adem zou willen uitlezen. Het is een belangrijke aanwinst voor de Spaanse Bibliotheek van Menken Kasander en Wigman, die langzaamaan een indrukwekkende omvang en kwaliteit begint te krijgen. Misschien zou daarin op den duur ook Landero's debuut een tweede kans kunnen worden gegund. Dit kleine maar kostelijke oeuvre verdient het.