Preventie voorkomt ontsporing jongeren

In het ongure Justitiegebouw aan de Haagse Schedeldoekshaven (die naam alleen al) worden kwaadaardige plannen gesmeed om de Nederlandse jeugd in een vroegtijdig stadium te disciplineren. Gelukkig zijn er enkele wakkere knapen (m/v) van het Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving die de Nederlandse gezinnen bijtijds waarschuwen voor deze snode plannen.

De justitiële preventieplannen blijken volgens de 'analyse' van Pakes en Donker in NRC Handelsblad van 18 september, niet alleen kwaadaardig, maar ook naïef. Ze zijn met andere woorden tegelijkertijd politiek gevaarlijk en krachteloos. Poeh, poeh.

Dat Justitie zich bezighoudt met het voorkomen van criminaliteit is begrijpelijk vanuit - wat genoemd zou kunnen worden - de Justitiële Paradox. Justitie - de rechtspraak, het gevangeniswezen, de jeugdinrichtingen, de kinderbescherming - staat onder grote druk. De toevloed van personen die gevaarlijk zijn voor anderen neemt toe, terwijl Justitie in feite de laatste remedie moet zijn. De druk neemt toe terwijl de mogelijkheden inhoudelijk zeer beperkt zijn. Justitie kan met haar traditionele middelen eenvoudigweg niet veel doen aan de maatschappelijke problemen die ten grondslag liggen aan de vraag naar justitie-diensten.

Op het terrein van kleine criminialiteit, zoals vandalisme, inbraak en kleine vermogensdelicten is inmiddels vooruitgang geboekt. De totale criminaliteitscijfers dalen, onder andere door de gelegenheid te beperken (controleurs en standswachten, stevig straatmeubilair, hang- en sluitwerk). Het gewelddadige gedrag neemt echter niet af - integendeel. Het neemt toe en concentreert zich bovendien in de grote steden en onder bepaalde groepen jongeren. Ondanks alle arrangementen van de verzorgingsstaat vallen grote groepen jongeren uit de maatschappelijke tredmolen en belanden uiteindelijk op de justitiemat.

Het ligt voor de hand dat Justitie in de richting van de maatschappelijke instellingen - onderwijs, welzijnswerk en hulpverlening - kijkt met de vraag of het daar wel helemaal goed gaat met de begeleiding van deze jongeren. Niet om de gezinnen in een ijzeren tang te vatten, zoals Pakes en Donker suggereren, maar wel om deze instanties wakker te schudden. Tussen de vrijwillig, veelal vrijblijvende hulpverlening en het justitiële ingrijpen gaapt een enorme kloof. In dit grijze gebied zitten de gezinnen die wel hulp willen, maar niet kunnen vinden; de kinderen die thuis worden gemaltraiteerd, maar niet erg genoeg om er tussen te komen; de allochtone ouders die onzeker zijn over wat de nieuwe omgeving van hen verwacht, maar de instanties niet kennen of ze niet durven bezoeken.

Er dient te worden nagedacht over de mogelijkheden om de meest problematische gezinnen te bereiken. Men spreekt in dat verband wel van 'aanhoudende overredingskracht'. Iedere hulpverlener weet wat daarmee wordt bedoeld en in welke situaties dat zinvol is.

In abstracto zijn de scheidslijnen makkelijk te trekken: 'hulp geef je, straf leg je op'. Maar zo simpel ligt het alleen voor degenen die eigenlijk niet weten waar ze het over hebben.