Poëzie voor pubers en kinderen

Jaak Dreesen: Marieke, Marieke. Illustraties Annemie Heymans. Uitg. Averbode, 48 blz. ƒ 26,50

Nannie Kuiper: Ik heb alleen maar oog voor jou. Uitg. Leopold, 98 blz. ƒ 24,90

Verliefd. En wat nu? 'Ik heb alleen maar oog voor jou.' 'Zoals die jongen mij aanbidt'. 'Mijn vriendje kwijtgeraakt aan mijn vriendin.' 'Hij heeft me even aangekeken.' Zulke zinnen wellen er dan op in een puberhoofd, althans als dat puberhoofd Nannie Kuiper heeft gelezen die in Ik heb alleen maar oog voor jou haar gedichten voor dertienjarigen en ouder verzamelde, aangevuld met 35 nieuwe. Ze gaan niet alleen over verliefdheid, ook over huiswerk, over eenzaamheid, over vriendinnen en geheimen, over groter worden - enfin over van alles waar pubers over zouden kunnen nadenken.

In Kuipers poëzie doen ze dat in korte flarden en hun gedachten draaien nogal eens om het verlangen dat er iemand was die de puber helemaal begreep. Maar meestal viert onbegrip hoogtij. Ouders en hun vrienden blijven denken dat de puber een kind is, vriendinnen krijgen vriendjes en hebben ineens minder tijd, in de klas voelt de puber zich nogal eens onhandig en een buitenbeentje. Het valt niet mee, zoals te verwachten was. Daar stelt Kuiper weinig tegenover - niet dat ze per se een ander perspectief op het leven zou moeten bieden, maar haar bewoordingen blijven heel dicht bij deze ervaringen en doen daar niets mee. Het is poëzie zonder enig beeld en zonder enige aardigheid in taal. Eerlijk gezegd heeft het niet weinig van de gevoelsuitstortingen die amateurdichters altijd zo graag in Candlelight lieten voorlezen. De gedichten van Kuiper rijmen een beetje, en hebben extreem korte regeltjes en veel witregels. Een regel kan bij haar bestaan uit 'mijn moeder' en de volgende versregel is dan 'vriendin', 'van haar dochter' zegt regel drie. Dat levert soms ook wel eens wat aardigs op. Maar ik maak me sterk dat geen uitgever dit voor poëzie zou hebben aangezien als het voor volwassenen was bedoeld. Het is een moeilijk genre, poëzie vooor halfvolwassenen. Het is dapper van Kuiper om het te proberen. Maar erg goed gelukt is het niet.

Mariek, Marieke van Jaak Dreesen mikt op een wat jonger publiek en de gedichtjes erin vertellen samen een verhaal. Het verhaal van het verlangen naar Marieke die maar niet komt: Hoor het krassen van de kraaien! Kijk hoe het begint te waaien! Straks gaan alle bomen vliegen en de tafel en het bed! Maar ik heb alles klaargezet voor Marieke die moet komen. Kom nu toch, o meisje lief. Kom nu toch, mijn hartendief.

De stemming is enigszins sprookjesachtig, wat versterkt wordt door de potloodtekeningen van Annemie Heymans waarin de wereld keurig geordend, goedbeappeld, bekerst en beboomd is, en toch wonderlijk vreemd. Eigenlijk zijn die tekeningen beter dan de tekst. De geordende vreemdheid van Heymans evenaart Dreesen niet in zijn soms te brave gerijm ('ik wil jou/ vertellen dat ik van je hou') dat hem zelfs tot rare zinnetjes drijft: 'Heb je honger? Heb je kou?' Kou hebben?

Dreesen heeft wel een moeilijk onderwerp gekozen. Geleidelijk aan wordt duidelijk dat Marieke niet toevallig niet thuis is, of met vakantie, maar dat ze is gestorven. Marieke, marieke is een troostboekje, een hoe-nu-verder-boekje dat, en dat is verstandig, geen antwoord geeft op die vragen. Het verlangen blijft, maar er moet op een of andere manier vrede mee gevonden worden.