Ontluistering in twaalf bedrijven; Overzicht van jonge Britse kunst in Londen

De Royal Academy is diep tevreden. De sensatie die haar grote expositie Sensation, young British artists from the Saatchi Collection, teweeg bracht, heeft al geschiedenis gemaakt. Het is een op effect beluste tentoonstelling van op effect beluste kunstenaars en het bijzondere is dat het werkt. Uit de expositie wolkt een chaotische, maar fascinerende cultuur op: de onze.

Sensation, Young British Artists from the Saatchi Collection. Royal Academy of Arts. Londen. Dagelijks van 10 tot 17.30 u. Tot 28 december (gesloten 25 december). Informatie; (0171) 300 8000.

De dag na de Daad hing het schilderij er nog zodat iedereen het Schandaal kon zien. Het schandaal van de vandaal die een kunstwerk met verf had besmeurd. Of het schandaal van de kunstenaar die een kindermoordenares had geportretteerd: naar keuze. Een dag later was het grote, uit honderden stempelafdrukken van een kinderhandje opgebouwde portret van Myra Hindley weg 'voor restauratie', maar het clubje vrouwen buiten, bij de poort van de Royal Academy in Londen, zag nog steeds bloed. 'Kunst die kindermoordenaars verheerlijkt, is geen kunst', riep een moeder in een grote megafoon. 'Weg met deze perversie. De Royal Academy moest zich schamen.'

De Royal Academy is diep tevreden. De sensatie die ze met haar grote tentoonstelling Sensation, young British artists from the Saatchi collection, heeft gewekt, heeft al geschiedenis gemaakt. Het terugtreden van een paar edelachtbare bestuursleden na verontwaardigde voorpublikaties van kranten en de daaropvolgende publieke reacties betekent alleen maar een grote schoonmaak. De oude, deftige Academy heeft zich ineens een vitale en avontuurlijke tentoonstellingsplaats betoond, al gaat de eer natuurlijk in de eerste plaats uit naar de man die deze sensationele kunst bij elkaar heeft gebracht, de Britse verzamelaar en reclame-man Charles Saatchi.

Saatchi, wiens collectie momenteel rond de 1500 kunstwerken omvat, geldt in de internationale kunstwereld al bijna twintig jaar als de verzamelaar die kunstenaarscarrières kan maken en breken. Wanneer Saatchi koopt houdt het kunstcircuit zijn adem in: is dàt de nieuwe hype? Wanneer Saatchi verkoopt kijkt men wie zijn afdankertjes zijn.

Saatchi kocht in de jaren tachtig volop kunst van jonge, tamelijk onbekende Amerikanen, zoals Jeff Koons, Allan McCollum en Robert Gober, en slaagde er, mede dank zij zijn boek NY Art Now, in om hen in korte tijd als belangwekkend naar voren te schuiven. Hij functioneerde als talentenjager van jonge, onbekende kunstenaars en tegelijk als model voor succesvol investeren in goedkope kunst. Tal van schatrijke Amerikanen lieten zich op wachtlijsten plaatsen om dezelfde soort kunst te kunnen kopen als hij, onverschillig wat het kostte.

In het begin van de jaren negentig zag Saatchi zich door financiële moeilijkheden van zijn reclamebureau gedwongen om zijn kunstaankopen te matigen en voor een deel te verkopen. Boze tongen beweerden dat het met hem als verzamelaar was gedaan en toen hij kunst van jonge Engelsen begon aan te schaffen, zag men dat aanvankelijk als een noodgreep: Amerika te duur? dan Engeland maar! Maar de tentoonstellingen die hij in zijn eigen tentoonstellingsruimte in Noord-Londen opzette, spraken dat tegen. Saatchi was er nog. Hij volgde nauwgezet de roerigheid van de jonge Engelse kunstscene en distilleerde er met zijn gerichte aankopen iets uit wat voor de kunstenaars zelf aanvankelijk misschien niet eens zo duidelijk was: een bijtend en toch vermakelijk soort realisme.

Het succes van de-Britse-kunst-volgens-Saatchi begon met een haai op sterk water. Zijn artistieke vader, Damien Hirst (1965), is nu de meest bejubelde én verguisde kunstenaar van Engeland (in de Londense krantenkiosken concurreerde zijn portret deze week met dat van Diana), maar in 1991, het jaar dat de haai zijn glazen kooi vond, was hij buiten een kleine kring alleen bekend als de organisator van Freeze, een spraakmakend tentoonstelling met 16 mede-studenten van het Goldsmith College in Londen. Saatchi kocht de haai en zette hem in 1994 in het middelpunt van de tentoonstelling Young British Artists 1 in zijn Saatchi Gallery en op de omslag van de bijbehorende catalogus, Shark infested waters. Sindsdien is de tijgerhaai de icoon van artistiek Jong Britannië. En Damien Hirst met hem.

Aquarium

De tentoonstelling in de Royal Academy begint dan ook met de haai. Met opengesperde bek staart hij je aan vanuit zijn vijf meter lange, groen lichtende aquarium, zijn staart in een zwiep, klaar voor de aanval. Hij is niet echt bedreigend, wanneer je hem nadert zie je dat hij hier en daar met pasta is opgelapt, maar hij is wel indrukwekkend. De zwiep in zijn staart krijgt door de vertekening van het sterke water de allure van een machtige, maar bevroren beweging, een freeze zoals dat filmtechnisch heet.

Rondom de haai hangen schilderijen met paarden (we zijn in Engeland). Ook zij staan er bevroren bij, als plaatjes uit een catalogus. De vlakke techniek en wazige contouren verraden dat de schilder, Mark Wallinger, fotoprojecties heeft nageschilderd en zich er niet om heeft bekreund verder te gaan dan dat. Hij interesseert zich niet voor de illusies van de schilderkunst, wel voor die van het sociale leven, zo begrijp ik tenminste zijn titel: Race, Class, Sex. Ongetwijfeld zijn dat categoriseringen van de paardenhandel, maar het zijn al jarenlang ook de begrippen waarmee kunstenaars zich als politiek bewust manifesteren, in de meeste gevallen overigens zonder daar veel consequenties aan te verbinden.

Titels zijn belangrijk bij de jonge Britten. Ze voegen aan de werken een extra niveau toe en sommige, zoals die van Wallinger, zouden zonder titel totaal onbeduidend zijn. Een titel of tekst moet de verbeelding een richting opsturen die hij anders hoogst waarschijnlijk niet genomen zou hebben. Het beeld zelf wordt een metafoor.

Hirst, die een meester is in het bedenken van titels, heeft zijn haai The physical impossibility of death in the mind of someone living genoemd. Hij zegt ermee dat wij metaforen nodig hebben om de dood te kunnen denken en biedt tegelijk met de dode en toch levend lijkende haai een beeld aan dat de angst voor de dood opwekt en sust.

Alleen in de kunst kunnen de dingen zulke diepgaande metamorfoses ondergaan en het opmerkelijke bij de jonge Britten is dat juist op dat vermogen een nadrukkelijk beroep wordt gedaan. Daarbij wordt wellustig gebruik gemaakt van overbekende beelden en materialen uit het dagelijks bestaan, in die zin word je aan pop-art herinnerd, maar er is geen sprake van de verheerlijking die daar in de jaren zestig mee gepaard ging. Integendeel, de metamorfose lijkt bedoeld om te ontluisteren, en wel zo totaal mogelijk.

Misschien is dat de reden waarom op deze tentoonstelling de dood een leidmotief vormt. Er is geen zaal of hij duikt wel ergens op, vrijwel altijd met horror-achtige trekken. Sensation druipt bijna letterlijk van het bloed.

Marc Quinn is daarbij de meest realistische. Hij heeft een paar liter van zijn bloed afgetapt en het over zijn in gips afgegoten hoofd uitgestort. Het donkerrode, korstige hoofd staat recht achter de haai in een perspex kubus op een sokkel. Een bevriezingselement in de kubus zorgt dat het bloed nog wat leven houdt en niet helemaal opdroogt. Self heet het hoofd, en dat Zelf klaagt, met voor mijn smaak nogal veel sentiment, over zijn kwetsbaarheid.

Echte horror wordt het pas bij de Chapman-brothers. Jake en Dinos Chapman zijn in korte tijd berucht geworden om hun schokkende beelden en boude uitspraken. Wie hun sculptuur Great Deeds Against the Dead ziet, begrijpt waarom. Het is een meedogenloos beeld, cynisch en sinister. Het bestaat uit een dode boomstronk van kunststof met één tak waaraan, zoals Billy Holiday ooit smartelijk zong, 'vreemde vruchten' hangen: drie onthoofde en gecastreerde, naakte mannen. Eén hoofd is op de punt van de tak geprikt, aan een bladerloos twijgje eronder hangt, met een touw tegen elkaar gebonden, een stel armen. De romp hangt ondersteboven vastgeknoopt naast weer een ontmand lichaam.

De Chapmans hebben hiermee een nieuwe, drie dimensionale versie willen maken van een prent van Goya uit zijn serie De rampen van de oorlog, en het is ze gelukt. De perversie die in al hun werk zit en die in ander werk op de tentoonstelling puberaal ontaardt, is hier de perversie van de folteraars geworden. Wel blijf je je, met het oog op de titel, afvragen wie zich nu eigenlijk met 'grote daden tegen de dood' teweer heeft gesteld. De beul? De slachtoffers? Of de kunstenaars zelf?

Sardine

De mens deugt niet voor de Chapmans, zoveel is zeker, maar hij is ook sterfelijk. Hoe sterfelijk toont het grote schilderij van Jenny Saville dat er naast hangt. Dik op elkaar gepakt en om en om als sardines in een blik, vullen rose, mollige vrouwenlichamen het doek. Saville schildert ze zonder duidelijk gezicht. Ze zijn vlezig, soms vet, met hammen van dijen en speklappen van buiken. Op een van haar andere schilderijen heeft Saville, die altijd hetzelfde onderwerp heeft, zelfs lijnen getrokken op de verschillende vleespartijen, als was het een slagerstekening van een koe. En toch ontroeren ze. Hun huid is, dankzij Saville's grandioze techniek, zacht, rozig en gevoelig. Het is een huid die ademt, rilt en zucht, een sprékende huid. En geen kwaad woord over de koe, maar dit haalt ze niet.

Wie van Saville naar de Chapmans kijkt en dan in de zaal ernaast met de Myra, ziet hoe knap deze tentoonstelling is opgebouwd. Het lijkt wel een theaterstuk in 12 bedrijven. Iedere zaal heeft zijn eigen enscenering terwijl er onderling toch verbanden zijn door de steeds weer terugkerende thema's: ras, klasse, sex, dood.

De dode tak met het afgehakte hoofd wijst als de arm van een crucifix naar het portret van de kindermoordenares. Zij wordt, doordat Saville's werk nog in de blik mee resoneert, van een lichaam voorzien, wat haar minder monsterlijk maakt. Mogelijk is het die context die de moeders buiten furieus heeft gemaakt, want het schilderij zelf geeft daar nauwelijks aanleiding toe. De schilder, Marcus Harvey, heeft een blonde, niet onaantrekkelijke vrouw met in de verf gestempelde afdrukken van kinderhandjes een gezicht gegeven dat aantrekt en afstoot, precies zoals Myra Hindley's media-bekendheid werkt. De opbouw van het schilderij weerspiegelt de constructie van een media-monster.

Veel shockerender, althans in mijn ogen, is een ander werk van Damien Hirst, A Thousand Years. Het toont de eeuwige cyclus van geboren worden en sterven door middel van een echte koeiekop die in een meer dan menshoge, lange glazen kast als voedsel dient voor duizenden vliegen. De vliegen eten, paren en sterven doordat ze zich doodvliegen in een blauw oplichtende anti-insectenlamp. Hier wordt niets gesuggereerd, de vliegen betasten hun dode soortgenoten echt zoals ook hun poten echt schokken als ze sterven. Alleen telt het leven van een vlieg niet, omdat wij ons er niet in kunnen verplaatsen.

Dat geldt ook, al geeft niemand dat graag toe, voor wat als afwijking wordt gezien. Voor een dwerg bijvoorbeeld. Sarah Lucas heeft een pagina uit een sensatiekrant opgeblazen, waarop, naast bizarre seksadvertenties met vraag en aanbod, een met foto's omkranst interview staat met een vrouwelijke dwerg.

Zij vertelt verheugd dat ze eindelijk, nu ze als hoer door het leven gaat, als vrouw wordt gezien en begeerd.

Heilige maagd

De schilder Chris Ofili is van een ander ras. Hij is met Marcus Harvey de meest verguisde kunstenaar van Sensation, niet omdat hij zwart is, maar omdat hij geen respect zou betonen voor een andere bekende, vrouwelijke icoon: de Heilige Maagd. Ofili heeft van haar een afwijking gemaakt door haar alle allure te geven van een hedendaagse, zwarte godin. Een godin van de vruchtbaarheid: rondom haar lichaam, dat eruit ziet als een lotusbloem, dansen wellustige vlinders van uit pornobladen geknipte plaatjes met billen en vagina's. Haar ene borst, de borst die bij de blanke Maria ook vaak is ontbloot, steekt recht uit het schilderij naar voren. Het is een olifantsdrol waarop zwarte kraaltjes een tepelhof schetsen. Was ik de Maagd Maria, dan zou ik zo geportretteerd willen zijn! Het goudkleurige schilderij schittert, straalt en vibreert door een ongelofelijk rijk en fijn vertakt stelsel van uit stippen opgebouwde arabesken die zich over een geel, oranje en met goudstof beplakt fond slingeren. Het herinnert aan de voorname culturen van Afrika en India, en het Westen doet ook mee: via de porno.

Ofili is een uitzonderlijke schilder, maar hij is niet de enige die hier bewijst dat de schilderkunst nog alive and kicking is. Gary Hume is er met felkleurige doeken, geschilderd met lakverf. Zijn figuren, mensen, bloemen, voorwerpen, zijn vlak en plat, zonder uitdrukking en details, als uitgesneden. Ze horen bij een wereld van robots en uitgeholde mensen, al is Hume te sjiek om dat zo te zeggen.

Richard Patterson mag er ook wezen. Hij schildert alsof Richter en Fishl, pop art en abstract expressionisme, niet meer zijn dan onderdelen van zijn vocabulaire. Hij gebruikt ze om beelden te scheppen die in een samenstelsel van fragmenten een chaotische, maar fascinerende cultuur laten zien: de onze.

De titels die beide schilders aan hun werk geven, Vicious bijvoorbeeld (Hume), en Culture Station (Patterson), zijn nog te rijmen met wat je ziet, maar bij Jason Martin schuift de wereld van de taal over die van de schilderkunst heen. Zijn schilderijen zijn effen gekleurd en in de dikke verf zijn grammofoonplaatgroeven getrokken die hier en daar welven. Trump heet er een. Hij is gemeen roze en heeft in het midden een pyramide-vormige knik. Ik wil er best de patserige Trump-toren in zien, want het is een mooi schilderij, maar geforceerd is het wel. Martin is waarschijnlijk bang dat zijn schilderijen zonder zulke titels te traditioneel zijn en niet genoeg effect sorteren. Daar zou hij wel eens gelijk in kunnen hebben.

Sensation is een op effect beluste tentoonstelling van op effect beluste kunstenaars en het bijzondere is dat het werkt. Het werkt doordat steeds een bepaald deel van onze fantasie wordt bespeeld. Daar wordt weliswaar dagelijks in de media en op straat een beroep op gedaan, maar nooit zo brutaal, sarcastisch en adembenemend direct.

Een schotwond in een hoofd (Bullethole van Mat Collishaw) wordt hier op een groot meerdelig fotopaneel rood en bloesemend als een opgewonden vagina. En de dood van een vader (Dead Dad van Ron Mueck) wordt een klein maar exact op een oudere man lijkend siliconen beeld dat naakt, bleek en met gesloten ogen op een vloerkleedje ligt. De drang om er naast neer te knielen is onweerstaanbaar. En dat is een sensatie waar niemand zich hier te groot voor hoeft te voelen.