Margie Morris, componiste van 'De Jantjes'; Hij, zij en de piano

De verlegen Engelse Margie Morris was een muis, maar wel een muis die kon componeren. Ze schreef de muziek voor veel Amsterdamse liedjes, zoals 'O mooie Westertoren', 'Nou tabé dan' en 'Daar komen de Jantjes'. “Margie componeert heel goed. En... ze is heel erg lief,” zei Louis Davids.

Ze is volkomen in de vergetelheid geraakt. Zelfs Carry Tefsen liet haar naam achterwege, tijdens een tv-interview over de reprise van de musical De Jantjes, in haar opsomming van auteurs van het oorspronkelijke stuk: het verhaal en de dialogen zijn van Herman Bouber, zei ze, en de liedjes van Louis Davids. Weliswaar schreef Davids de teksten voor die liedjes, maar de muziek is van Margie Morris, de Engelse met wie hij een aantal jaren samen woonde en werkte.

Toen Margie Morris in 1975 werd opgezocht voor een artikelenserie over Davids in Story had ze eigenlijk geen zin om over het verleden te praten: “Soms heb ik het gevoel of het allemaal nooit echt gebeurd is.” Haar terughoudendheid heeft haar parten gespeeld; haar niet geringe aandeel in de Nederlandse cabaretgeschiedenis is vergeten. Morris was nu eenmaal zeer Engels en kropte zowel haar triomfen als haar verdriet op. De muziek die ze componeerde voor Louis' teksten is echter nog dagelijks op straatorgels in Amsterdam te horen en het is niet ondenkbaar dat de grote Davids zonder haar nooit zo'n hoogte zou hebben bereikt.

In krantenknipsels en boeken is Margie Morris niet veel meer dan een voetnoot in het levensverhaal van Louis Davids. Steeds werd ze neerbuigend beschreven, zoals door Jan Feith in Tingel Tangel (1918): “De kleine, zachte, was-bleke Margie, vriendelijk en tenger als Dickens' kind-vrouwtje, zoo weggeloopen van een Engelsch plaatje, sprekend haar vreemde Hollandsche woordjes met verlegenheid.” Mensen die haar hebben gekend, herinneren zich een lieve, behulpzame vrouw die nooit veel over zichzelf vertelde. “Ach, ze deed haar nummer met Davids, heel lief was dat, en weg was ze,” zegt Willy Corsari. “Ze zei nooit veel tegen de anderen.”

Ze was twintig toen ze in 1913 in Nederland arriveerde. Ze kwam uit een middenklasse-gezin en werd op 24 juli 1892 in de Londense wijk Westminster geboren als Margaret Sarah Whitefoot. Op haar geboorteacte is haar vader genoteerd als working jeweller, maar het verhaal gaat dat hij een hooggeplaatst officier was in het leger. Misschien klonk dat beter in de publiciteitscampagne voor een meisje dat altijd stijlvol en goed gekleed rondliep, en misschien is hij later, toen de oorlog uitbrak, inderdaad in het leger gegaan. Pimlico, het deel van Westminster waar ze opgroeide, was in elk geval geen modieuze buurt en de huizen hadden geen dienstbodenkamers die de rijkelui nodig hadden voor hun personeel. Het was hoofdzakelijk een woonoord met buurtwinkels. Meer iets voor een juwelier dan voor een hoge officier.

Margaret Morris werd streng opgevoed, maar toonde al jong muzikale talenten. Ze kreeg toestemming van haar ouders om piano en compositie te studeren, maar ze kon ook goed zingen en dansen. Al bij haar aankomst in Amsterdam had ze zich de artiestennaam Margie Morris aangemeten.

Of Davids haar voor het eerst in Amsterdam zag of in Londen tijdens een Engelse toernee, is niet meer te achterhalen. De revue-artieste Berry Kievits houdt het op Londen; ze twijfelt aan de betrouwbaarheid van de verhalen die Louis' zuster Heintje later vertelde over een ontmoeting in Amsterdam. Zeker is dat ze verliefd werden: zij op hem voor altijd, hij op haar voor een poosje. De ambitieuze Davids stond toen aan het begin van zijn carrière. Hij had weliswaar al wat succes in de revue geboekt, maar als ruwe pit uit een arme Rotterdamse familie miste hij de beschaving die in die dagen vereist was om hem tot een top-cabaretier te maken.

Dat Davids, rokkenjager bij uitstek, de verlegen Margie een uitdaging vond en op haar charmante uitstraling viel, is begrijpelijk. Maar de slimmerik zag waarschijnlijk ook een vrouw wier stijlvolle verschijning een positieve invloed op hem zou kunnen hebben. Bovendien bleek Margie een pianiste van formaat te zijn. Hij begon haar bij zijn werk te betrekken. Zo mocht ze het lied Waarom is de zee bij Scheveningen in de revue Verboden Toegang zingen. De critici wrongen zich in bochten om in rare spelling haar accent weer te geven: “...waarom is de sai bai Skeveningen, en waarom niet bai Emsterdem...?”

Dat was in 1914, kort vóór Davids gemobiliseerd werd in verband met de oorlog. Samen traden hij en Margie op onder de naam Eerste Nederlandse Mobilisatie Cabaret, waarmee ze door Nederland reisden om de verveling bij de soldaten te verjagen. In 1916 brachten ze een nieuw programma onder de titel He, She and the Piano. “Het wist op slag roem, eer en ongekende successen te boeken,” herinnerde Ph. Pinkhoff, de echtgenoot van Heintje Davids, zich in een artikel in De Telegraaf van september 1950. “Het werd een begrip: cabaretkunst in topvorm met Engelse inslag. Twee vertolkers van het zangerige, simpele levenslied, elkaar ontmoetend aan de piano.”

Davids had het goed gezien. Margie bleek een uitstekend begeleidster te zijn. Maar er was meer. De lieve, stille vrouw in haar robe van witte crêpe de chine bleek een bijna onweerstaanbare aantrekkingskracht te hebben als ze eenmaal op het toneel stond. En hoewel Davids haar spottend aankondigde wanneer ze een lied in het Nederlands ging zingen, voegde haar Engelse accent extra charme toe aan haar zuivere sopraan.

In die periode, die tot 1922 duurde, had Davids veel meer aan Margie. Hij was nog getrouwd met een vrouw die hem geen scheiding gunde, maar Margie gaf hem een rustig thuis aan de Amsterdamse Utrechtsestraat, ze verzorgde hem wanneer hij een van zijn astma-aanvallen kreeg en ze zette zijn teksten op muziek. In 1915 kregen ze bovendien een zoon.

Uit gesprekken met mensen die haar hebben gekend, komt Margie naar voren als een muisje, iemand die een sterke persoonlijkheid naast zich nodig had. Later, na de breuk met Davids, zou ze beschutting vinden bij drie sterke vrouwen uit het vak: ze had blijkbaar geen behoefte meer aan een man, na het verdriet om Davids.

In het programma He, She and the Piano brachten Margie en Davids veel nieuwe liedjes. Eén daarvan, volgens een aantal bronnen door Davids over Margie geschreven, heeft als refrein: “Iedereen vindt je een leelijke vrouw/ Toch ben ik dol op jou.”

IJscokar

In 1917 begon de acteur Herman Bouber een reeks volksstukken te schrijven, waarvoor Margie en Davids de liedjes maakten. Inmiddels was de Engelse zo thuis in het Amsterdamse leven dat ze voor Bleeke Bet het oer-Mokumse wijsje van In de Jordaan kon componeren en voor Goocheme Sallie een weemoedige melodie die precies paste bij het leven van een man met een ijscokar. De revue-artiest Dries Krijn wijst er in zijn boek Bonte pracht vederdracht op, dat het liedje begint met hetzelfde motief dat de voorzanger van de Portugese synagoge op sabbath-ochtend inzette bij zijn plechtige oproep tot de gemeente.

De laatste in de reeks van Bouber was De Jantjes. Margie Morris en Louis Davids waren toen, in 1919, op toernee in Nederlands-Indië. Daar maakte Davids notities voor de laatste acte die zich in Indië afspeelt, en componeerde Margie één van de liedjes: Als de tros wordt losgesmeten. Met dit lied en andere, zoals O mooie Westertoren, Nou tabé dan en Daar komen de Jantjes, heeft ze veel van de mooiste nummers geschreven die over Amsterdam en de Jordaan bestaan. Het soort muziek waarop het typische Jordaan-timbre zich met alle bijpassende vibrato kan uitleven.

De Jantjes werd het populairste van Boubers stukken en is door de jaren heen vaak opnieuw uitgevoerd. In 1982, toen Nooy's Volkstheater ermee kwam, viel op dat alle handen van het publiek al bij de eerste noot van de ouverture omhoog gingen en heen en weer zwaaiden op de aanstekelijke muziek. Wat Margie componeerde, klinkt eenvoudig en volks, maar verbergt een complexiteit in ritme en een koestering van de teksten door de muziek, waar hedendaagse musical-componisten nog wat van kunnen leren. Ze smokkelt nooit met lettergrepen en in veel van haar melodieën lopen de toonhoogten meer uiteen dan men op het eerste gehoor zou denken. Vaak worden ze vlakker gezongen dan ze werden geschreven. Probeer maar eens te zingen: “Had je niet die mooie blauwe ogen/ Had je niet dat ravenzwarte haar/ dan was ik er nimmer ingevlogen/was er nimmer voor mijn rust gevaar.”

Terwijl Margie en Davids buitenlandse toernees maakten, in Nederland optraden, veel teksten en muziek schreven en ook nog in films verschenen - samen in American Girls uit 1918, Margie in De Duivel in Amsterdam uit 1919 - werd de kleine Louis, of Toddels zoals zijn koosnaam luidde, verzorgd door de familie Veldkamp in de Van Woustraat. Dat hij zijn ouders amper zag, staat buiten kijf. Volgens de vorige week overleden Martie Verdenius, die met Margie en Davids in revues optrad, woonde Louis junior omstreeks 1930 in een pension in Amsterdam. “Margie logeerde er een poosje en was heel lief voor die jongen. Hij wilde echter niets met zijn vader te maken hebben. Zij sprak niet over het verleden en dat respecteerden wij. Maar ik heb een gevoel dat ze zich door alles en iedereen liet belazeren.”

Wat er precies is gebeurd, weet alleen Louis junior, maar die nam de voornaam Herman en de achternaam Veldkamp aan, en emigreerde in 1958 naar Australië. Net als zijn moeder wil hij niet over het verleden praten.

In een brief aan Toddels schreef Davids in 1919: “Met Margie heb ik gelukkige jaren gesleten en ik ben haar dankbaar voor al het goede dat zij mij zoo onbaatzuchtig geschonken heeft.” In 1920 zei hij tegen Edmond Visser voor diens boek Het Nederlandsche Cabaret: “Margie componeert heel goed. En... ze is heel erg lief.” Hij beloofde alles op alles te zetten om een scheiding te regelen om met haar te kunnen trouwen, maar van een scheiding is het nooit gekomen. Uiteindelijk, in 1922, was Margie het zat. “Ik wilde dat hij binnen een maand besliste wat hij met me van plan was,” zei ze. “Toen de tijd verstreken was, moest hij nog beginnen na te denken.”

De kleine muis zette zich schrap en verliet de man van wie ze nog hield. In de jaren dertig werkte ze in het gezelschap van Nap de la Mar, waarvoor ze ook twee operettes componeerde, ze vormde een duo met de Duitse zangeres Else Grassau, en trad zelfs op in het Kurhaus Cabaret van Louis Davids. In 1935 componeerde ze de muziek, op tekst van Jacques van Tol, voor het lied Als je voor een dubbeltje geboren bent, door Davids en zijn zuster gezongen in de film Op stap.

Christian Science

De verhalen over wat er met haar tijdens de tweede wereldoorlog is gebeurd, lopen uiteen. De één zegt dat ze in Duitsland zat met Else Grassau, de ander dat ze jarenlang in Parijs woonde met een theatrale dame die in veel purper rondliep. In 1946 keerde ze in ieder geval terug naar Nederland, waar ze lid werd van de Christian Science-kerk. Ze woonde in Den Haag, samen met haar vriendin Ada Crokowit. Haagse bronnen weten te vertellen dat Margie, toen ze God vond, afrekende met haar verleden. Ze componeerde muziek voor de kerk en was twintig jaar lang lid van het comité dat de Christian Science Monitor publiceert. “Ze was altijd opgewekt,” zegt een kerklid. “Maar ik denk dat ze erg gekwetst werd door Louis Davids. Hij was de liefde van haar leven.”

Toen Ada in 1981 onverwacht overleed, kwam hun Engelse vriendin Julie Croall, ook kerklid, naar Den Haag om Margie op te halen. Ze nam haar mee naar Hindhead in Zuid-Engeland, waar ze in een tehuis kwam te wonen. Croall bezocht haar bijna iedere dag. “Ze was als een kleine fee, een onschuldig kind. Ze had verder niemand. Louis junior heeft haar één keer in Den Haag opgezocht, met één van zijn kinderen. Maar het contact ging matig. Ik denk dat hij kwam kijken wat zijn moeder hem nog te bieden had.”

Op 14 januari 1983 stierf Margie vreedzaam in haar slaap. De auteursrechten van haar liedjes gaan sindsdien naar een Britse liefdadigheidsinstelling. Julie Croall zag haar de voorgaande avond voor het laatst. “Soms had je haar wel eens bij de lurven willen nemen om haar wakker te schudden. Maar iedereen hield van haar. Haar laatste woorden aan mij waren: 'Goodnight darling. All is well'.”

Met bijzondere dank aan Herman Openneer en Piet Hein Honig. De Jantjes, in de nieuwe bewerking van Ivo de Wijs, met Carry Tefsen, Peter Faber, Danny de Munk e.a., gaat vanavond in première in de Stadsschouwburg in Amsterdam en is t/m mei op tournee.