Magere verhalen vol treurnis

Josien Laurier: Voor ons ligt een dag van bramenjam. Roman. Querido, 148 blz. ƒ 29,90

Mariët Meester: De eerste zonde. Roman. Meulenhoff, 193 blz. ƒ 34,90

Ooit houdt een auteur op met 'veelbelovend' te zijn. Een eerste roman mag op punten teleurstellen, de tweede moet aanwijsbaar beter zijn en bij de derde moet de belofte grotendeels zijn ingelost. Josien Laurier (1967) debuteerde op haar 25ste met de roman Een hemels meisje dat door Opzij het beste vrouwenboek van 1993 werd genoemd. Voor andere vrouwelijke auteurs die in dat jaar publiceerden, moet dat een belediging geweest zijn, want zelfs een heel klein beloftetje hield dat boek over een zestienjarig meisje dat 'in de Heer is' niet in.

Laurier (een pseudoniem) ging er prat op dat ze haar debuut in zes weken geschreven had, een prestatie die ze met haar tweede boek Het zal de liefde wel zijn, herhaalde. De hoofdpersoon van die roman, de 21-jarige Sophie, lijdt aan een heftig liefdesverdriet, waarvan de lezer een dag en een nacht getuige mag zijn. Verhaal en plot ontbreken goeddeels, maar daarvoor in de plaats put Laurier zich uit in gestamel dat ze zelf 'experimenteel' of zelfs 'hallucinerend proza' noemt.

Hoe lang Laurier over haar zojuist verschenen derde roman Voor ons ligt een dag van bramenjam heeft gedaan, is nog niet onthuld, maar een levenswerk is het bepaald niet. Behalve vier vrouwelijke hoofdpersonen treedt er een mismaakt doof kind in op, Moni geheten, die een even onduidelijke functie vervult als alle anderen. De vrouwen, van wie er een - de moeder van Moni - in een ziekenhuis ligt, werken bij een reclamebureau waar niets gebeurt. Met de vrouwen gebeurt trouwens ook niets. Ze observeren elkaar en vertegenwoordigen, althans wat hun buitenkant betreft, karikaturen. Dana is de onooglijke uitzendkracht die haar moeilijke jeugd nog niet te boven is. Ella gedraagt zich zowel in haar persoonlijke als in haar zakelijke leven als een carrièriste en krijgt de kous op de kop en de derde, Bea, staat voor het liefdevolle, zorgende vrouwtje, dat alles geeft, maar er niets voor terugkrijgt. Alle drie zijn ze op hun manier gefascineerd door Odile, maar die ligt in het ziekenhuis en eindigt in coma. Tussen de dames bevindt zich ook nog Simon, verloofde van Ella en ex van Odile, maar bovenal de onwettige vader van Moni.

Enige structuur ligt er aan de roman niet ten grondslag, maar ik heb de indruk dat het Laurier daarom ook niet te doen is. Waarom dan wel, blijft onduidelijk.

Als het verhaal vastloopt, en dat doet het voortdurend, vlucht de schrijfster in de binnenwereld van haar personages, waar geen plaats is voor wat voor consistente gedachte of navoelbare emotie dan ook.

'Er zit een blauwe cactus in de keuken. Hij doet de deur achter zich dicht en stapt op de olifantenloper. Slurf aan staart gaan acht olifanten naar haar toe...' Hallucinerend of experimenteel, ik kan er geen touw aan vastknopen.

Het andere uiterste vertegenwoordigt Mariët Meester (1958), die met De eerste zonde ook aan haar derde roman toe is. Zij heeft, met name in Bokkezang (1994), bewezen wel degelijk te kunnen schrijven en - zij het niet zonder leerstelligheid en exaltatie - in staat te zijn een verhaal en karakters vorm te geven. Anders dan bij Laurier waren haar romans tot nu toe min of meer autobiografisch, met daaronder een laag waarin ze haar particuliere ervaringen een universele betekenis probeerde te geven. Die extra dimensie is uit De eerste zonde op nogal hardhandige wijze weggesneden, zodat er weinig anders overblijft dan een wat mager, ongeloofwaardig verhaal over een jeugd in de Drentse strafkolonie Veenhuizen. Hoofdpersoon is de twaalfjarige Tulp die, als dochter van de gevangenisdirecteur, in het geniep de uitgaande post van de gedetineerden doorleest. Op een van de bajesklanten, de intelligente fantast Danilo, wordt ze verliefd en met hem ontwikkelt ze iets dat op het begin van een liefdesrelatie lijkt.

Door de eenduidige, tamelijk platte manier waarop Meester haar verhaal vertelt, stijgt het nauwelijks uit boven het niveau van een kinderboek, waar het ook door het simpele, rechtstreekse taalgebruik en de afgemeten dialogen veel van weg heeft. Zelfs als je de roman op een andere wijze probeert te lezen, namelijk als de reddingsfantasie van een vrouw die opgewonden raakt bij de gedachte aan quasi onschuldige maar verboden seks tussen een gedetineerde en een kind, valt er weinig plezier, emotie of literair genot aan te beleven: 'Danilo staarde naar mijn hand. Zijn blik ging mee toen ik de hand langzaam naar mijn schouder bracht. Ik begon te kneden. Onrustig sloeg hij zijn benen over elkaar.'

Wat een treurnis daar in Veenhuizen.