Jeugdcriminaleit in Europa (Frankrijk); 'Wie zit er op mij te wachten'

PARIJS, 26 SEPT. Hij draagt een duur leren jack, alleen de zware rits moet al een klein fortuin hebben gekost. De Parijse bistro is anoniem genoeg om te praten, hier kennen ze hem niet. Nu hij verder in de twintig komt en een vriendin heeft en kinderen wil, ziet Aziz wat scherper voor zich hoe het met hem misschien nog net goed kan aflopen.

Hij is geboren en getogen in een van de zuidelijke voorsteden van Parijs, waar zijn ouders vers uit Algerije waren terechtgekomen. Voor tijdelijk. Hardwerkende, oppassende mensen, ontworteld, bang. “Ze hadden niks over ons te zeggen, ze waren veel te bang dat we hen op straat niet zouden beschermen tegen de andere kinderen.”

Aziz was geen harde jongen, maar ook niet dom. Van een beetje dealen kwam wat systematischer dealen, “ook in echt gemene spullen”. Toen hij er mensen aan dood zag gaan kreeg hij een enorme schok. Dat hij zelf ook hard drugs gebruikte wil hij eerst niet zeggen, later blijkt het uit de details. Zijn leven ging op en neer. Permanent waren de anti-Arabische treiteracties van de politie. Op een dag sloegen de stoppen door, een mengsel van haat, wraak en opscheppen: “We zeiden met een paar man: laten we een bankje doen.” De overval liep slordig af, er werd geschoten. Gelukkig geen doden, maar hij draaide wel de bak in.

Verschillende pogingen van sociale diensten hem op het droge te trekken mislukten. “Als er iets van mij terechtkomt is dat te danken aan mijn familie. Daar kan je altijd op rekenen. Maar ik wil daar toch weg. Die uitzichtloze sfeer, waar alleen de hardste jongens, die echt handelen in andermans dood, het redden, dat drukt me steeds weer de prut in. Alleen, wie in Frankrijk zit op mij te wachten, met zo'n verleden?”

Aziz werkt nu als uitzendkracht en sleept op ongure tijden koffers van de lopende band op Orly. Het beetje dat hij daar verdient geeft hem een rijk gevoel, al is hij arm vergeleken bij de drugsbaronnen in de wijk. Hij heeft een ideaal waar hij voor leeft. Maar hij weet niet of hij ooit de kans krijgt te bewijzen dat hij het aankan.

Frankrijk leeft op een tijdbom van frustratie en uitzichtloosheid, in de eerste plaats onder de immigrantenjeugd in tientallen betonnen voorsteden als Garges-les-Gonesse, Sartrouville, Corbeil (Essonne), Vaulx-en-Velin (bij Lyon), Noord-Marseille en andere. De film La Haine geeft er een kil beeld van, onvolledig en gechargeerd. Maar de brandstichtingen en guerrilla-oorlogen tegen de politie zijn reëel, net als de parallelle economie in die niemandslanden waar werken niet tot de cultuur behoort.

De cijfers over jeugdcriminaliteit in Frankrijk zijn schimmig en kunnen niet betrouwbaar zijn als de politie in hele wijken niet meer komt. Praktijkmensen spreken over een permanente verjonging van het delinquentendom. Twaalf, veertien jaar is heel gewoon, niet voor moord, wel voor beroving met geweldpleging. De erkenning van een kolossaal probleem is de basis van het politieke krediet van Jacques Delors' dochter Martine Aubry. Zij heeft de afgelopen jaren de stichting 'Agir' opgericht, die samen met overheid en bedrijfsleven handelend wil optreden in deze 'onderbevoorrechte wijken'.

Met het banenplan waar ze nu als minister van Werkgelegenheid en Solidariteit voor vecht wil ze onder andere voor deze jeugd nuttige baantjes scheppen (350.000 via de overheid en 350.000 via het bedrijfsleven). Wie haar bekritiseert om het weer met de subsidietrommel scheppen van werk, heeft economisch misschien gelijk. Maar gezien de sociale explosieven die rondom alle grote steden van Frankrijk liggen opgetast, krijgen Aubry en haar premier Jospin voorlopig het voordeel van de twijfel. Er is veel te verliezen als ook dit plan niet lukt.