Het museum een kathedraal

Henk van Os: Een kathedraal voor de kunst. De Prom, 143 blz. ƒ 29,50

Henk van Os: Beeldenstorm. Close-ups van kunst uit Nederlandse musea. Redactie Thijs Tromp en Ineke Middag. Amsterdam University Press, 184 blz. ƒ 29,50

'Het willen delen van schoonheid met anderen, op welke manier dan ook, is voor mij een primaire drijfveer', zei Henk van Os, toen nog algemeen directeur van het Rijksmuseum, in een interview door Joop van Tijn. Deze overtuiging - die Van Os als docent, auteur, feestredenaar en presentator van een televisieprogramma op aanstekelijke wijze in de praktijk pleegt te brengen - vormt de verbindende factor in twee bundels beschouwingen en toespraken.

Al in de titel van het boek Een kathedraal voor de kunst worden het museum en zijn collectie met een religieuze metafoor gekarakteriseerd. Dat beeld is voor het Rijksmuseum niet nieuw; zij gaat terug op de negentiende-eeuwse kritiek op het neo-gotische gebouw van Cuypers dat spottend het 'bisschoppelijk paleis van Amsterdam' werd genoemd. De beeldspraak is gebleven, maar de inhoud ervan is veranderd. Nog onlangs zei Van Os' opvolger Ronald de Leeuw in deze krant over de liefde die de staf koestert voor het gebouw: 'Het grenst aan heiligheid, zo zorgvuldig als een ieder daarmee omgaat'. Een restauratie is volgens hem hard nodig, want 'het licht leidt je niet meer door het gebouw'. Wat anders roepen deze opmerkingen in gedachten dan een gotische kathedraal?

Zo is het Rijksmuseum de sublimatie van een romantische visie op een middeleeuws ideaal geworden: een helder, licht en voor iedereen toegankelijk gebouw dat, samen met de kunstwerken die het herbergt, ook nog eens gevoelens van nationale trots kan vertolken. Van Os omschrijft het museum dan ook niet alleen herhaaldelijk als kathedraal en nationale schatkamer, maar voegt die twee concepten zelfs samen tot de kwalificatie 'nationale kunstkathedraal met de Nachtwacht als hoofdaltaarstuk'. En tot besluit van zijn toespraak bij de opening van de Rembrandt-tentoonstelling in 1991, citeert hij een gedicht van de geestelijk vader van het museum, J.A. Alberdingk Thijm, waaraan hij toevoegt dat het 'passende woorden (zijn) als heenzending aan het einde van de liturgie voor de opening van de expositie'.

Ook de meeste andere bijdragen gaan in op de functie van musea in de samenleving en op de waarderingsgeschiedenis van kunstwerken en kunstenaars, zoals Rembrandt, Jan Steen of Haarlemse maniëristen uit de zestiende eeuw. Stuk voor stuk weerspiegelen de teksten Van Os' bijna apostolische streven zijn kunstbeschouwing aan een groot publiek uit te dragen.

Dat laatste geldt nog meer voor de tweede bundel, een verzameling van veertig causerieën die is getooid met de merkwaardige titel Beeldenstorm. Is Van Os een iconoclast in zijn eigen kunstkathedraal? In de toespraak bij het 100-jarig jubileum van het Rijksmuseum (1985), die is opgenomen in Kathedraal voor de kunst, is het Van Os zelf die enggeestige cultuurverbreiders afschildert als beeldenstormers: 'Educatieve tentoonstellingen hadden vaak iets van een uiterst geraffineerde vorm van beeldenstorm. Opzichtige borden met angstaanjagend-publieksvriendelijke teksten fixeerden kunstvoorwerpen geheel op de bedoelingen van de samensteller'. Daar is in Van Os' bijdragen nu juist geen sprake van. Ze voeren de lezer niet naar een veronderstelde absolute waarheid, maar geven objectieve informatie en persoonlijke reflecties, en eindigen vaak in een open vraag. Steeds wordt, uitgaande van een kunstwerk in een Nederlands museum, een korte verhandeling gegeven over een kunsthistorisch probleem, zoals de interpretatie van de voorstelling of de historische achtergrond waartegen het werk is ontstaan. Van Os richt zijn beschouwingen zowel op westerse als Aziatische kunst, en beslaat de periode van de vroege middeleeuwen tot de twintigste eeuw.

De enige kritiek die je op de in een informele parlandostijl gestelde stukjes kunt hebben, is dat kunst wel synoniem lijkt aan schoonheid. Toch wijst Van Os er meer dan eens op dat kunstwerken ook op een andere dan strikt formeel-esthetische manier beleefd kunnen worden. Naar aanleiding van een reeks boeddhistische beeldjes uit Japan in het Rijksmuseum, concludeert hij bijvoorbeeld dat de opgediste wetenswaardigheden wel leuk zijn. Maar: 'dat mag je er beslist niet van weerhouden om die gouden stilte te ervaren. Wat mij betreft zou je bij de kassa dan ook kussentjes moeten kunnen huren om voor de wand te gaan mediteren'. Zo wordt het museum weer tot een plaats van welhaast religieuze vervoering. Maar, zoals Van Os in zijn Johan de Witt-lezing (1994) over het Nederlandse museumbeleid opmerkt, een 'Kerk van de Heilige conservator' mag het niet worden. Zeker als de conservator in het museum, zoals vroeger de priester in de kerk, met zijn rug naar het publiek celebreert, wordt de schoonheid niet gedeeld en is er iets grondig mis in de kunstkathedraal.