Geslaagde inburgering verdient beloning

Stromen ongewenste vreemdelingen verlaten jaarlijks ons land. Buiten de bureaucratie is hun aanwezigheid nauwelijks opgevallen. Meestal gaat het om asielzoekers die zijn gewogen en te licht bevonden. Zij hebben een reeks van opvang-, doorstroom- en verwijderkampen van binnen gezien, zij zijn via tolken door een rij van ambtenaren uitgehoord, zij hebben ettelijke keren hun levensverhaal verteld, een aantal heeft zich, gesteund door een pro-Deo-advocaat, tevergeefs tot de rechter gewend.

Zij laten zich gedwee afvoeren naar het land van herkomst of zij verdwijnen vrijwillig in wat de illegaliteit wordt genoemd. Hun dossier wordt vervolgens gesloten. Zij worden als winst op de vreemdelingenbalans bijgeschreven. Voorzover zij een probleem zijn, zijn zij dat uitsluitend voor zichzelf.

Het probleem voor het vreemdelingenbeleid zijn de 'onverwijderbaren'. Zij zijn, evenals de uitgewezenen, bestempeld tot 'economische vluchtelingen' en tot mensen die thuis niets te vrezen hebben. Ten onrechte, luidt de leer, hebben zij een beroep op asiel gedaan. Maar hun terugkeer is geblokkeerd: het land van herkomst of zijzelf 'werken niet mee'. Geld en goede woorden hebben het land van herkomst of de uitgeprocedeerden zelf niet kunnen overreden. De autoriteiten hebben nog slechts de keus tussen het toestaan van een moeizaam gerekt verblijf in een eindstation met beperkte capaciteit en de straat.

In een aantal gevallen wordt voor het laatste gekozen. De overheid zelf bevordert zo de illegaliteit. De 'onverwijderbaren' zijn onaanraakbaren geworden, verstoken van registratie, van recht op wat dan ook buiten het eigen leven.

Het einde voor de overheid is het begin voor de charitas. De instelling met de oudste ervaring op dat gebied, de kerk, heeft zichzelf hier een taak toegedacht. Het kerkasiel is teruggekeerd in de maatschappelijke vocabulaire. Het past niet in de moderne, op democratische besluitvorming en rechterlijke toetsing geënte, regelgeving, daarover bestaat consensus, maar wie durft de politie een heiligdom of een daarvan afgeleid tentenkamp binnen te sturen? Althans een Kamermeerderheid niet, zo te zien. Het vreemdelingenbeleid, in de Kamer geïnitieerd, vindt daar zijn finale.

Het kerkasiel staat niet alleen. Er zijn de hongerstakers, de Nasseri's onder de ongewenste vreemdelingen. Zij mobiliseren de publiciteit en maken de grenzen zichtbaar van de tolerantie in een samenleving die er prat op gaat de tolerantste van de wereld te zijn. Er zijn de agressieven, zoals de Roemeen die bij zijn uitzetting zijn gezondheid verloor en daarom toch mocht blijven. Er zijn illegalen als Gümüs die ingeburgerd en wel net niet aan een overgangsregeling voldoen, die overigens haar rechtvaardiging ontleent aan wat jarenlang gedoogde praktijk was. Na een verwarrende shuttle tussen politiek en publiciteit koos de familie Gümüs voor de verhuiswagen en ging op weg naar een uitzichtloos bestaan in eigen land.

De vraag waarom die mensen zo hechten aan een leven in Nederland, waarom zij de laatste tentstok vastgrijpen, wordt niet relevant geacht. De axioma's van het vreemdelingenbeleid zijn doorslaggevend, de betrokkenen zijn dossiers die van bureau naar bureau worden overgeheveld tot zij in een lade of de papierversnipperaar verdwijnen. Het uitgangspunt is dat Nederland meer dan vol is. De beweegredenen van Bossche buurtbewoners die weigerden een buitenlands gezin in de straat toe te laten, staan niet zo ver af van de gedachtengang die het beleid bepaalt: genoeg is genoeg.

Grenzen zijn er om te worden bewaakt, ook al zijn zij formeel opgeheven. Voor de grensposten zijn vliegende brigade's en opvangkampen in de plaats gekomen. De tijd waarin Joop den Uyl vanaf een bestelwagen zijn solidariteit met vluchtelingen uit Latijns Amerika uitschreeuwde, ligt in een ver en onbegrijpelijk geworden verleden. Evenzo de tijd waarin de vaderlandse media een Labour-minister hekelden, omdat zij van een Gemenebest-paspoort voorziene vluchtelingen uit Oost-Afrika toch slechts mondjesmaat toeliet.

Het verschil zijn de aantallen, en de reactie die deze oproepen. Al voor de val van de Muur was de wereld in het ongerede geraakt, waren burgeroorlogen uitgebroken en waren staten tegen elkaar opgetrokken die zich los hadden gemaakt van het veiligheidssysteem der groten dat Koude Oorlog heette. Niet langer was het buurland de enige haven waar betere tijden konden worden afgewacht.

Ook de vervolgde en de moderne landverhuizers hadden het werelddorp met zijn snelle en betaalbare verbindingen en zijn veilige en welvarende oorden ontdekt. Dankzij hun aantal vormden zij bovendien een markt die een nieuw soort ondernemer aantrok: de mensensmokkelaar die zonodig in valse papieren en illegaal transport kon voorzien. Er is dankbaar gebruik gemaakt van zijn diensten, maar de smokkelaar maakte de migrant in het land van aankomst bij voorbaat verdacht. Wat waren dat voor mensen die zich op slinkse wijze aan de welvoorziene tafels te goed kwamen doen?

De ontwerpers en bijstellers van het vreemdelingenbeleid mag worden verweten dat het aan goede voorlichting van het eigen volk heeft ontbroken. De nerveuze reactie van een publiek, dat zich kosmopolitisch genoeg waande om een paar vreemde gezichten in de buurt als een plezierige inbreuk op de dagelijkse sleur te ervaren, maar dat zich doodschrok toen het café-op-de-hoek in een koffiehuis veranderde waar het triktrakbord de plaats innam van het vertrouwde biljart, sloeg via de plotselinge verkiezingswinst van extreme partijtjes over op de politiek en op de autoriteiten.

Het ontmoedigingsbeleid was het gevolg. Op zichzelf had dit beleid een rationeel uitgangspunt. Er moest een adempauze komen, wilde de samenleving niet worden verscheurd door etnische twisten. Anti-Turkse rellen in de Rotterdamse Afrikaanderbuurt werden als een veeg teken onderkend. En had de veronderstelde gemoedsgesteldheid van de Surinamers in de Bijlmer al niet jaar en dag de omzichtigheid bepaald waarmee het akelige fenomeen Bouterse werd tegemoet getreden?

Maar in dat ontmoedigingsbeleid kwam wel heel sterk de nadruk te liggen op het ongewenst zijn van de vreemdeling. Het daarop aansluitende inburgeringsbeleid legde vervolgens wel heel nadrukkelijk de verplichting tot succes op de toegelaten buitenlander zonder dat duidelijk werd gemaakt dat een geslaagde inburgering van twee kanten moet komen en dat er ook zoiets als een beloning moet zijn. De uitwijzing van een begrijpelijk Nederlands sprekende en ondernemende buitenlander was geen signaal dat inburgeren de moeite waard is.