Gereedschap van tandartsen blijkt niet altijd steriel

ROTTERDAM, 26 SEPT. Een op de veertien sterilisaties van tandartsgereedschap wordt zo slecht uitgevoerd dat er bacteriën of virussen op achterblijven. Slechts 23 procent van de tandartsen laat de sterilisatie-apparatuur in hun praktijk regelmatig onderhouden.

Dit blijkt uit onderzoek van de hoogleraren dr. J. de Graaff (orale microbiologie) en dr. M.A.J. Eijkman (sociale tandheelkunde) dat is gepubliceerd in het septembernummer van het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde.

Het onderzoek werd uitgevoerd omdat de laatste jaren duidelijk is geworden dat via de tandartspraktijk met enige regelmatig tandvleesinfecties ontstaan. Heel zelden is aangetoond dat er hepatitis-, herpes- en aidsbesmettingen via de tandartspraktijk plaatsvonden.

Bijna alle tandartsen hebben zelf een sterilisator in hun praktijk. Een onderhoudscontract is, concluderen de auteurs, de enige manier om te garanderen dat het instrument goed werkt. Incidenteel onderhoud levert nauwelijks betere resultaten dan geen onderhoud.

Bijna 60 procent van de tandartsen heeft gereedschappen die niet worden gesteriliseerd maar die wel besmet kunnen raken. Het zijn instrumenten waarvan er maar weinig in de praktijk aanwezig zijn, die hard slijten bij sterilisatie of waarvan de tandartsen betwijfelen of sterilisatie nut heeft.

De onderzoekers stuurden naar 438 praktijken een enquêteformulier en een teststrip met redelijk hittebestendige bacterieën die moest worden meegesteriliseerd. De teststrip moest na sterilisatie worden teruggestuurd en werd dan onderzocht op achtergebleven bacteriesporen. Ruim 55 procent van de aangeschrevenen deed mee.

In een commentaar op het onderzoek zegt de Inspectie voor de Gezondheidszorg dat de gebruikte meetmethode waarschijnlijk te positieve resultaten heeft opgeleverd. De inspectie vindt dat het hele sterilisatieproces, van afwassen voor de sterilisatie, tot de verpakking en de opslag na sterilisatie, moet worden gecontroleerd.