Experiment

Toen de nood onder de gokverslaafden tot het bijna ondraaglijke was gestegen, besloot de minister van Volksgezondheid de wetenschap te hulp te roepen. Tot dusver was de praktijk zo dat de gokverslaafden met instant-middelen werden behandeld. Een paar maal per dag stopte de casino-bus discreet op het parkeerterrein en kregen de gokverslaafden monopolie-geld en namaakmunten.

Hiermee mochten zij op speciale gokautomaten spelen en ook waren er voor hen speciale roulettetafels ingericht, maar op den duur werd deze situatie door de gokverslaafden als grievend ervaren. De verslaafden voelden zich niet serieus genomen en daardoor viel er een domper op de dagelijkse kick.

Psychologen wezen in dit verband op de befaamde honger-experimenten, waarmee men indertijd gehoopt had de Freudiaanse hypothese te kunnen bevestigen dat de meeste dromen wensdromen zijn. Proefpersonen had men dagenlang vrijwel niets te eten gegeven in de verwachting dat zij daardoor significant vaker van voedsel zouden dromen, maar vreemd genoeg gebeurde dat niet. De proefpersonen bleven gewoon dromen van seks.

De psychologen verklaarden dit verschijnsel door erop te wijzen dat de proefpersonen wel wisten dat de experimentatoren het nooit op een hongerdood zouden laten aankomen en dat de honger daarom niet existentieel was. De gokverslaafden verkeerden in een zelfde omstandigheid. Zeker, het spelen met namaakgeld geeft een zekere bevrediging, maar op den duur veroorzaakt het toch niet die kick die de gokverslaafde nodig heeft.

Zodoende bleven de gokverslaafden op zoek naar echt, met alle onwenselijke gevolgen vandien. Het was in dat klimaat dat op het ministerie het idee rijpte om een groep zware gokverslaafden gratis geld ter beschikking te stellen. Deze verstrekking moest wel aan twee voorwaarden voldoen: zij zou de vorm krijgen van een experiment en alleen de echte crepeergevallen mochten erbij betrokken worden.

Het duurde niet lang of de onderzoekers van verschillende universiteiten kwamen tot een opzet van het experiment. Op medische indicatie zou een groep verslaafden dagelijks duizend gulden krijgen om mee te gokken. Winst en verlies zouden nauwkeurig worden bijgehouden. Tevens moest er een controlegroep meelopen van zwaarverslaafden aan wie die duizend gulden niet zou worden verstrekt. Op die manier zou men na een paar maanden het verlies van beide groepen kunnen berekenen.

Het spreekt vanzelf dat de Tweede Kamer aanvankelijk niet erg enthousiast was over de plannen. De gratis verstrekking van geld stuitte vooral op bezwaren bij het conservatieve deel van het parlement, maar toen de minister uiteenzette dat het geld via de kringloop van de casino's toch weer bij de overheid terecht zou komen, was de Kamer bereid het experiment een kans te geven.

Wel ontstond er onenigheid over de vraag hoeveel gokverslaafden er mee mochten draaien. Onderzoekers van de Erasmus Universiteit meenden dat het onderzoek wetenschappelijk zinloos was als er minder dan 1123 verslaafden aan mee zouden doen, maar bij de Universiteit van Groningen dacht men genoeg te hebben aan 658, terwijl uit een rapport van Leuven bleek dat met een getal van 449 kon worden volstaan. De Tweede Kamer stelde zich echter terughoudend op en toen het parlementslid Van Puffelen verklaarde dat het experiment ook wel “een pietsie minder wetenschappelijk mocht zijn”, werd het aantal op 57 bepaald.

Er is nog niet veel ruchtbaarheid aan gegeven, maar inmiddels draait het experiment al in enkele steden, zij het nog op kleine schaal. Niettemin lijken de eerste resultaten bemoedigend. Zo blijkt dat gokverslaafden in sommige gevallen met die duizend gulden rechtstreeks naar de bank gaan om het geld op een rekening te zetten. Er worden zelfs aandelen en opties van gekocht! Weliswaar constateert men nog een terugval in het gedrag als de verstrekking van gratis geld weer wordt ingetrokken, maar de minister heeft goede hoop dat het experiment uiteindelijk zal leiden tot een positief resultaat.