Ergens is nog geraas van de zondvloed

Voorstelling: Tityrus van Lucas Vandervost/Bob de Moor door De Tijd. Regie: Bob de Moor. Decor: Erik Lagrain. Spel: Lucas Vandervost. Gezien: 24/9, Brakke Grond, Amsterdam. Nog te zien: aldaar t/m 27/9. Inl. 020-6266.866. Elders: t/m 5/12.

Het is een indrukwekkend rijtje namen waarnaar de makers van de monoloog Tityrus verwijzen: Vergilius, Ovidius, Petrarca, Dante, Rousseau, Ginzburg. Uit bewondering, maar ook omdat ze uit hun werk geput hebben of er op zijn minst door geïnsprireerd zijn geraakt. De echte liefhebber kan speuren naar de sporen in hun tekst, ik herken alleen sferen en het land, Italië, waar het verhaal van Tityrus, zo genoemd naar de herder uit de Bucolica van Vergilius, zich afspeelt.

De tekst bestaat uit een reeks herinneringen, gerangschikt in drieëndertig 'canto's', die in het Italiaans door een zachte vrouwenstem op de achtergrond worden aangekondigd. Geluid - op een zo nu en dan eveneens zachtjes weerklinkende aria na - is de bron van de herinneringen van de verteller, ongeveer zoals het Madeleine-koekje bij Proust fungeert.

Getuige ook een bescheiden stapeltje banden verzamelt de verteller geluid: “Als ik het niet opneem”, zegt hij: “is het niet gebeurd”. Op het moment dat hij zijn monoloog begint, is “groen mijn enig voedsel”. Paardebloemen, viooltjes, brandnetels, ze produceren geluiden, naar zijn zeggen en wie dat niet geloven wil, stelt hij bij voorbaat gerust: “Ik heb alleen maar onschuldige neigingen”.

Geluiden zitten in de lucht en “zo moet ergens nog het geraas van de zondvloed te vinden zijn” of de “dzjelp”-kreet van de uitgestorven dodo van het eiland Mauritus. Geluiden zijn zo bezien net als herinneringen: in materiële zin afwezig, bestaan ze toch.

De herinneringen van de verteller cirkelen rond een Napolitaans dorp, dat hij kent van vóor een verwoestende aardbeving. Het is het epicentrum van zijn associaties, die net zo goed betrekking hebben op zijn pre-natale bestaan als op zijn liefde voor Elena met wie hij samen ooit slakken verzamelde - om te dresseren. Zijn gedachten golven van zijn vader die 'drempel-archeoloog' was via het bolletje zuurdesem van fra Domenico naar de dood van de van hem vervreemde Elena en de door slakkenkadavers verspreide lijklucht in haar kamer.

Uiteindelijk, in de laatste canto die 'het absolute eind' heet, ligt de verteller naar we vermoeden moeten in zijn graf, waar hij de tot dan toe in zijn verzameling ontbrekende geluiden hoort van de zee-planten: het geneurie van het vederwier, de zang van de kleine zeeëik.

Twee seizoenen geleden regisseerde Lucas Vandervost mede-schrijver Bob de Moor in Tityrus; deze keer werd hij geregisseerd door De Moor. In een mooi, in zijn fragmentarische opzet naar een aardbeving verwijzend decor van Erik Lagrain - een schetsmatig plankier van dikke houtdelen, een betegeld badkamervloertje, vier abstracte landschapschilderijen op de achtergrond - kleedt Vandervost zich gaandeweg zijn monoloog langzaam aan.

Hij bezit de ontwapenende charme van Stan Laurel, zijn diep-blauwe argeloze blik twinkelt voortdurend van een pret, waarvan de oorzaak onbekend blijfyt maar waarin je graag geloven wilt. Zijn voordracht is voorbeeldig, rustig, in een laag en traag timbre, bijna monotoon, zo berustend.

Berusting en de kalmerende werking van een weliswaar verloren Arcadië en van de pastorale scènes die hij oproept, moeten haast wel het thema zijn van deze breekbare, zorgvuldige voortstelling.

Maar zeker ben ik niet van de bedoelingen, hoe evenwichtig en trefzeker Vandervosts spel ook oogt. Vorm en uitvoering overtuigen, maar de vraag blijft van wat. Misschien is Tityrus een louter poëtische exercitie, die men om de schoonheid van klank en beeld moet ondergaan. Misschien ook is de tekst de weerslag van het besef hoe nietig een leven is en hoe vergeefs wanhoop, twijfel en liefde. Omdat ook cynisme daarover ontbreekt, is dat wel een mooie gedachte, ja, laten we het daarop maar houden.