Een futuristische oceaanstomer; Een nieuw Guggenheim-museum in Bilbao

Het Guggenheim-museum in het Baskische Bilbao, een satelliet van het Guggenheim in New York, eist veel van de toeschouwer. De vormenrijkdom van het museum is zo groot dat wordt gevreesd voor de aandacht voor de kunstwerken binnenin. Het museum moet Bilbao nieuwe economische uitstraling geven.

Groot was de verrassing toen de Guggenheim Foundation in New York zes jaar geleden de Baskische havenstad Bilbao uitkoos als de vestigingsplaats voor zijn belangrijkste Europese satelliet. Waarom koos de wereldvermaarde verzameling van hedendaagse kunst, met het beroemde, spiraalvormige New-Yorkse museum van Frank Lloyd Wright en een palazzo in Venetië als dependance, voor Bilbao? Een sombere industriestad op zijn retour, met een grote werkloosheid en temidden van het door de terreur van de afscheidingsbeweging ETA geteisterde Baskenland?

Een nog grotere verrassing dan de keus voor Bilbao is het uiterlijk van het museum, dat op 19 oktober officieel zijn deuren voor het publiek opent. Vanaf de eerste aanblik op de Puente de la Salve - een hangbrug die een brede verkeersader de binnenstad invoert - is het duidelijk dat het Guggenheim-museum in Bilbao veel eist van het perceptievermogen van de toeschouwer. Op de brug lijkt het nog het meest alsof het aanrazende verkeer zich in de zijkant van een futuristische, mat-zilveren oceaanstomer boort. Even verderop, aan de overzijde van de rivier de Nervión, is het of een reeks scheepskielen uit de golven opduikt, terwijl een een hoge zilveren wand als een cobra uit zijn mand naar boven kronkelt. Wandelend vanaf de negentiende eeuwse wijk Indautxu rijst het museum op aan het einde van de smalle Iparraguirre-straat als een moderne sculptuur tegen de achtergrond van de groene heuvels rond Bilbao.

De pretentie van het Guggenheim-museum om met een ontwerp van de Amerikaanse architect Frank Gehry Bilbao in een klap te plaatsen op de kaart van Europa's belangrijkste museale trekpleisters, is geslaagd, alleen al door het gebouw zelf. Aan de oevers van Bilbao's grauwe rivier, naast een morsig rangeerterrein voor containervervoer, weerkaatst de matte huid van het gebouw het licht van de dag in pasteltinten tussen grijs en goud. De titanium bekleding geeft het museum een gesloten aanblik, maar de veelheid van vormen en de warme kleur behoeden het gebouw voor de kilte van de kantoor-architectuur. Het zandbruin van het gepolijste kalksteen op de vloeren en de muren versterkt de warme weerspiegeling.

Oorspronkelijk had hij een combinatie van lood en koper als bedekking willen gebruiken, maar vanwege de milieu-eisen koos de architect Gehry uiteindelijk voor titanium. Het ijzersterke, niet oxiderende metaal kent vooral toepassing in de wapenindustrie, en werd tot dusver niet gebruikt voor grootschalige bouwprojecten. Het titanium werd gedolven in Australië, gesmolten in Frankrijk, geplet in de walserijen van Pittsburgh, en nader bewerkt tot platen van een derde milimeter dik in Groot-Brittannië en Italië. Ideaal materiaal, zeker voor het vaak somber bewolkte Bilbao. “Het is licht op donkere dagen en als de zon schijnt wordt je er niet door verblind”, verklaart de architect zijn keuze.

Binnen in het gebouw zet de vormenrijkdom - ontworpen met speciale computer-programma's uit de luchtvaartindustrie - zich onverminderd voor. De entree, waar de bezoeker verwelkomd wordt door een mikado van metalen balken achter de glazen pui, geeft toegang tot het 55 meter hoge centrale atrium in het hart van het gebouw. Ondanks het relatief beperkte vloeroppervlak geeft de hoogte een monumentale indruk van ruimte. De film Metropolis van Fritz Lang was een van Gehry's inspiratiebronnen. Muren in de traditionele zin van het woord zijn hier niet. Brede witte pilaren kronkelen de lucht in, de liftschachten golven als een ruggegraat van glas en staal. Een hoog hangende wand van zeker tien meter breed en bijna even hoog moet worden ingericht met een high-definition scherm voor videokunst.

Vuurspuwen

Een wijkende glaswand biedt over de volledige hoogte uitzicht op de rivieroever. Glazenwassers in bergbeklimmersuitrusting zijn in de weer met het wegzemen van het vuil. Achter de glazen pui ligt het terras, beschermd door een enorme overkapping. Een watertuin, opgesierd met een vuurspuwend sculptuur van Yves Klein, zal het museum straks scheiden van een specaal aangelegde wandelboulevard naast de rivier die aansluit op een lange gala-trap. Die loopt onder de brug door, naar het boegbeeld van het museum: de toren aan de andere kant van de Puente de la Salve.

Gehry pakte de brug min of meer in door zijn gebouw aan beide zijden op trekken. Het museum is op meer manieren kunstig in de stad geplaatst. Vanaf de rivieroever tot aan de woonwijk is een hoogteverschil van 16 meter weggewerkt. De Iparraguirrestraat uit het centrum loopt rechtstreeks over de trappen van de stad de ingang van het museum in. Het oude overslagterrein werd door Gehry en Guggenheim-directeur Thomas Krens gekozen vanwege zijn symbolische betekenis. Hier, ingeklemd tussen de La Salve-brug en de voormalige Euskalduna-werf bruiste vroeger de havenactiviteiten van Bilbao. Het gebied wordt bovendien begrensd door het Museum voor Schone Kunsten, terwijl aan de overzijde van de rivier het neo-klassieke gebouw van de Universiteit van Deusto ligt. Krens zou de plek volgens eigen zeggen ooit ontdekt hebben toen hij tijdens een avondwandelingetje de Punte de La Salve afdaalde en in een flits de mogelijkheden voor zich zag.

De ambities van museum-directeur Krens om de Guggenheim-collectie, waarvan slechts een vijf procent in het museum van New York past, op meerdere plekken in de wereld tentoon te stellen liepen mooi parallel met die van de lokale autoriteiten in Baskenland. Het economisch tij in Bilbao, een stad waar bijna de helft van 2 miljoen Basken woonachtig is, moest gekeerd worden. Een investering van 180 miljard peseta's, bijna twee en een half miljard gulden, werd vrijgemaakt voor grote infrastructurele werken die de stad weer aantrekkelijk moeten maken. Onder de projecten bevindt zich een nieuwe metro naar ontwerp van Norman Foster, terwijl op het oude terrein van de scheepswerven een congres- en muziekcentrum verrijst.

Thomas Krens zat op zijn beurt eveneens verlegen om een in het oog springend project om zijn positie te versterken. De Guggenheim-vestiging in New York kampt met een ernstig ruimtetekort, waardoor het ondermeer onmogelijk bleek de in 1990 door Krens aangekochte Panza-verzameling van 211 minimalistische schilderijen permanent tentoon te stellen. Krens' pogingen om satelliet-musea op te richten voor een soort rondreizende collectie verliepen weinig succesvol en het prestige van het Guggenheim dreigde zelfs te worden aangetast.

De ervaren onderhandelaar Krens vond in de Baskische regio-regering een tegenpartij die zich zeer gevoelig toonde voor het verhaal van de Amerikaan.In zijn boek Crónica de una Seducción (Kroniek van een Verleiding) schetst de Baskische antropoloog Joseba Zulaika - zelf werkzaam aan de universiteit van Nevada - met veel details hoe de Basken tijdens de onderhandelingen in 1991 vakkundig door de museumdirecteur ingepakt werden. 'De Basken komen uit mijn hand eten', zou Krens na een paar bezoekjes enthousiast hebben uitgeroepen.

Onbekende tekorten

De leidende Baskisch-nationalistische partij PNV toonde zich uiteindelijk zo royaal de kosten voor de bouw en inrichting van het nieuwe museum voor zijn rekening te nemen, die volgens woordvoerders van het museum 14 miljard peseta's (190 miljoen gulden) bedragen, maar volgens andere schattingen aanzienlijk meer. In het 20-jarig contract garanderen de Basken eveneens het nog onbekende tekort op de exploitatierekening. De klap op de vuurpijl was een donatie van 20 miljoen dollar aan de Guggenheim stichting in New York.

Het had overigens weinig gescheeld of de 'museum-deal van de eeuw' was er bij ingeschoten. Eind 1991 vroegen de Baskische onderhandelaars uitstel voor nader onderzoek naar aanleiding van een aantal waarschuwingen van deskundigen over de verhoudingsgewijs grote uitgaven voor het gebouw en de vele open vragen over de toekomstige projecten. Bang dat uitstel afstel betekende, deed Thomas Krens een taktisch slimme zet. Hij vaardigde de Italiaanse minister van buitenlandse zaken Gianni De Michelis af naar Bilbao om de contracten te tekenen. De Michelis, als invloedrijk politicus in Venetië weliswaar lid van het bestuur van de Guggenheim Stichting, had helemaal niets met het Guggenheim project in Bilbao te maken. Maar als minister van buitenlandse zaken, het jaar ervoor zelfs voor de Europese Gemeenschap, had hij een status die de Baskische regio-regering moeilijk kon negeren. En als socialist en persoonlijk vriend van de toenmalige premier Felipe González kon De Michelis de aanzwellende twijfels in het socialistische kamp smoren.

Dertien december 1991 werd De Michelis met alle égards in Baskenland ontvangen, en het contract werd getekend. Enkele weken later verdween de Italiaanse minister de gevangenis in op verdenking van een groot aantal corruptie- en omkoopaffaires.

Nu de bouw is voltooid zijn vriend en vijand het er over eens dat met het Guggenheim de stad Bilbao een in het oog springend beeldmerk heeft gekregen. Dat neemt niet weg dat er nog veel vraagtekens worden geplaatst bij de manier waarop het Guggenheim in de toekomst moet gaan functioneren. Hoewel het de bedoeling is dat de Guggenheim-collectie van hedendaagse kunst zal gaan rouleren tussen zijn internationale vestigingen, is het niet duidelijk of Bilbao uiteindelijk op alle circa 6000 kunstwerken kan rekenen die tot de Guggenheim-collectie in New York behoren.

Wat het vertrouwen er bij de critici niet groter op heeft gemaakt zijn de vergeefse pogingen van het nieuwe museum om de Guernica van Picasso van Madrid naar Bilbao te halen. Volgens een uitgebreid technisch onderzoek van het Madrileense museum Reina Sofía zou het beroemde doek van Picasso onherstelbare schade oplopen bij vervoer. Maar de Baskisch-nationalistische politici verhieven de zaak tot een prestigeslag. Dat het Guggenheim zich willig voor hun karretje liet spannen wekte bij velen wantrouwen: heeft het nieuwe museum een Guernica nodig om straks voldoende bezoekers te trekken?

Ook over de kunstverzameling die de zelfstandige Guggenheim Bilbao Stichting zal aanleggen bestaat nog veel onduidelijkheid. De collectie, waar in vier jaar een budget van 6 miljard peseta (ruim 80 miljoen gulden) voor beschikbaar is, zal worden besteed aan een kunstselectie, 'representatief voor de twintigste eeuw', uit Amerika en Europa en met speciale aandacht voor Baskische en Spaanse kunstenaars. Tussen de 25 werken die reeds zijn aangekocht bevinden zich schilderijen van Willem de Kooning, Mark Rothko, Clifford Still, maar ook werken van Anselm Kiefer, Francesco Clemente, Eduardo Chillada en Antoni Tàpies.

Baskische beeldhouwers als Oteiza en Chillada toonden zich aanvankelijk net als veel van hun collega's tegen de komst van het Guggenheim Museum. Smalend werd gesproken van het 'McGuggenheim' en een uit de Verenigde Staten overgewaaid kunstimperialisme, waarvan de Basken de rekening zouden moeten betalen. “Maar nu het Guggenheim kunst begint te kopen hoor je ze niet meer zo”, aldus de Baskische hoogleraar mediakunde Ramón Zallo.

Volgens Zallo, een van de leiders van het Baskische verzet, is de Baskische regio zich financieel hopeloos aan het vertillen aan het project. Nu reeds is merkbaar dat er scherp bezuinigd moet worden op een reeks van lokale culturele uitgaven vanwege de zware lasten van het museum: steun aan andere projecten en kunstenaars is drastisch teruggedraaid. Volgens Zallo zullen de exploitatietekorten in de toekomst alleen maar verder oplopen. Haalbaarheidsstudies werden gebaseerd op jaarlijks 600.000 bezoekers, aantallen die in Spanje alleen door musea als het Prado in Madrid en het Dali-museum in Figueras worden gehaald. Maar Bilbao is allesbehalve een toeristen-centrum en bovendien nog altijd relatief slecht bereikbaar.

Ook van het te verwachten economische uitstralingseffect, een van de voornaamste beweegredenen van de Baskische regio om het geld op tafel te leggen, is tot dusver nog weinig gebleken. Bezoekers aan het museum moeten op jaarbasis zeker 70 miljoen gulden aan extra inkomsten en acht miljoen gulden aan belastingen opleveren, zo schatten de studies. Maar geraadpleegde internationale makelaarskantoren zeggen nog niets te merken van een toegenomen belangstelling bij bedrijven om zich in Bilbao te vestigen.

Vanuit museale kring worden de pijlen vooral gericht op het gebouw zelf. Wordt de aandacht voor de kunstwerken die straks in de 24.000 vierkante meter museumoppervlakte worden tentoongesteld niet volledig weggetrokken door de spectaculaire vormen waarmee het museumontwerp de bezoekers overdonderd? Wie door de tentoonstellingsruimten wandelt hoeft zich in ieder geval niet vervelen, zoveel is zeker. Meest imposant is de enorme 'boot-gallerij' van 130 meter lang en 25 meter breed, die met zijn steunbogen nog het meest weg heeft van een gestyleerde fabriekshal. Een unieke ruimte voor volumineuze werken. In het midden staat de Snake opgesteld die de Amerikaanse kunstenaar Richard Serra speciaal voor het Guggenheim in Bilbao vervaardigde. Drie parallelle S-vormige platen, 30 meter lang en vier meter hoog, kronkelen vrijelijk door de enorme zaal.

Spectaculair ook zijn de ruimtes die zich direct rond het atrium bevinden. De wanden, de vloeren en de plafonds: alles golft de bezoeker tegemoet en doet het gevoel voor proportie verliezen. Kunstig verwerkte lichtschachten en glaswanden zorgen desgewenst voor natuurlijk daglicht. Conventioneler zijn de tentoonstellingsruimten die zich naast de boot-galerij bevinden: bewust klassiek gehouden rechthoekige zalen waar de aandacht zich minder snel laat afleiden door architectonische vondsten. Het Guggenheim Bilbao zal straks zijn poorten openen met de tentoontstelling 'De Guggenheim-musea en de kunst van deze eeuw', met meer dan driehonderd werken uit de vaste collecties.

Alle kritiek ten spijt lijkt het Guggenheim Museum in Bilbao vooralsnog de grote overwinning waar directeur Thomas Krens op zat te wachten. Ook de Baskische regio-regering toont zich in zijn nopjes met het internationale baken aan de oever van de Nervión. Het wonder van Bilbao staat klaar om uit te varen, waar het schip strandt zal nog moeten blijken. “Het is een prachtig gebouw, een aanwinst voor de stad”, erkent verzetsleider Zallo. “Maar het is en blijft een project uit New York waar wij de rekening voor betalen.”