De Nederlandse sportbibliotheek; De samenleving één grote competitie

Harry Oltheten: Georganiseerd luieren, en andere cricketverhalen. Thomas Rap (Nederlandse sportbibliothek nr. 29), 230 blz. ƒ 29,50

Tim Overdiek: Rik Smits: Dunking Dutchman. Thomas Rap (Nederlandse sportbibliotheek nr. 26), 276 blz. ƒ 28,50

John Volkers, Willem Vissers en Hans Klippus: De lange mannen. Tien jaar Nederlands topvolleybal. Thomas Rap (Nederlandse sportbibliotheek nr. 22), 220 blz. ƒ 27,50

Meindert van der Kaaij: Louis van Gaal, een voetbalbiografie. Kwadraat 224 blz.ƒ 29,90

In de avondschemering van het Romeinse Rijk had het publiek over één ding niet te klagen. Nog nooit was het aanbod van sportvermaak zo overvloedig geweest. Goten, Vandalen en Hunnen overschreden van alle zijden ongestoord de grenzen van het imperium, maar het aantal dagen met spelen in het Colosseum en het Circus Maximus was gegroeid van zo'n veertig tijdens de vroege keizertijd (eerste eeuw na Christus) naar meer dan honderdtwintig tijdens de vijfde eeuw van onze jaartelling.

En hoewel het rijk kreunde in al zijn voegen, waren de spelen in Rome nooit eerder zo opulent, zo langdurig, zo bloederig en zo vermakelijk geweest. Het leek alsof de bevolking gehypnotiseerd zwelgde in sport. Buiten brandde de wereld, maar binnen mochten ter verpozing om de drie dagen gladiatoren elkaar in wedstrijdverband aan het spit rijgen.

Het was, kortom, alsof er in de eeuwige stad bijna permanent avondvullend voetbal tegelijkertijd op Nederland 1, Nederland 2, SBS 6, en Veronica werd vertoond, waarna nog de herhalingen op Eurosport en RTL4 voor de reproductie van de aardigste momenten zorgde. Een Romein die een beetje creatief zapte tussen het Colosseum en het Circus, hoefde de werkelijkheid nooit meer onder ogen te zien. Die was trouwens toch al uit de mode geraakt door de bekering tot het christendom - de succesvolste aanval op een rationele leefwijze, schreef oudhistoricus Michael Grant ooit - maar de sportverdwazing zegt even veel over de tijdgeest als de religieuze verdwazing.

Historische parallellen gaan altijd mank, en die tussen het verkruimelende Romeinse Rijk en het triomfantelijke paarse polderland al helemaal. Maar dat wij leven in een tijd van sportieve overdaad kan niemand ontkennen. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat de publieke omroep het als plicht opvat om avonden lang op twee, soms drie netten tegelijk voetbalwedstrijden te vertonen, of uit het feit dat kranten en tijdschriften steeds meer ruimte voor sport reserveren, maar ook - en niet in de laatste plaats - uit het feit dat de intelligentsia sport heeft omarmd als een gewichtig maatschappelijk verschijnsel.

Zelfonderzoek

De intelligentsia heeft wel meer ideeën omarmd - waarmee het dan steevast slecht afliep - maar deze keer noopt het tot extra kritisch zelfonderzoek. De sterk gegroeide aandacht voor sport is immers minder een bewuste ideologische bekering dan een onbewuste afspiegeling van een algehele mentale, maatschappelijke en intellectuele verschuiving: weg uit de erfenis van de Verlichting in de richting van basale sentimenten waarvan de wortels nauwelijks nog zijn gediagnostiseerd.

Het is overigens niet zeker of de uitkomst van zo'n diagnose interessant is. Een bijverschijnsel van het verschijnsel is dat wel: Nederland is de laatste jaren verblijd met een tamelijk omvangrijk en soms serieus aanbod van sportboeken. De reeks van uitgeverij Thomas Rap met de ietwat grandioze titel Nederlandse sportbibliotheek is daarvan het meest systematische (hoewel kwalitatief enigszins onevenwichtige) voorbeeld. Maar ook andere uitgeverijen van naam en faam halen niet langer de neus op voor werken over sport in al haar facetten. Zelfs het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten aarzelt niet om sportboeken (Rik Smits, Dunking Dutchman van Tim Overdiek) te subsidiëren. Een afdoende lichtbeeld bij de prioriteiten van de moderne intelligentsia.

Ik zal de laatste zijn om te beweren dat sport onbelangrijk is. Uitspraken zoals die van wijlen Bill Shankley, manager van Liverpool FC ('Voetbal is geen zaak van leven of dood, het is veel belangrijker') of van Harold Pinter ('Cricket is het beste dat God ooit heeft uitgevonden - in ieder geval beter dan seks, hoewel dat ook wel aardig is') mag ik graag lezen. Maar dat wil niet zeggen dat ik even graag de uitwassen lees van de huidige sportmanie: verslagen waarin de journalist hysterische hyperbolen, kakofonische clichés en steigerende stijlfiguren hanteert alsof hij meedingt naar de P.C. Hooftprijs (maar de uitslag vergeet te melden), columns waarin grappig wordt gedaan over sport, en cultuurhistorische beschouwingen waarin gewichtig wordt gedaan over sport.

Wat dit betreft, valt de verse oogst sportboeken die hier ter tafel ligt mee. Georganiseerd luieren, en andere cricketverhalen van Harry Oltheten leest alsof het een collectie anekdotes uit Engelse cricketboeken betreft (en dat is ook zo), maar omdat het onverwoestbare anekdotes zijn, blijft het allemaal tamelijk genietbaar, ondanks de afwezigheid van systematische bronvermeldingen.

De lange mannen. Tien jaar Nederlands topvolleybal door de journalisten John Volkers, Willem Vissers en Hans Klippus is een bijgewerkte tweede druk van hun boek over het bijna blinde fanatisme waarmee de vaderlandse volleyballers zich tijdens het afgelopen decennium worstelden naar Olympisch goud in Atlanta. Afgezien van enkele huiveringwekkende zinnen, zoals 'De volleybalploeg was af en toe hot in Nederland', geeft dit werk een aardig beeld van hoe de wil om te winnen kan uitlopen op een pathologische obsessie.

Spelletje

Tim Overdieks Rik Smits, Dunking Dutchman blijkt een met talrijke bijvoeglijke naamwoorden geschreven maar toch informatief verslag van de wederwaardigheden van de ingetogen Eindhovense basketballer die zijn sportieve en financiële fortuin vond bij de NBA-club Indiana Pacers. Wel is er het vreselijke feit dat het woord 'spelletje' regelmatig voorkomt om de sport van Smits te omschrijven (zinnen als 'zo wordt het spelletje gespeeld' dienen taboe te zijn in zelfs het geringste wedstrijdverslag). Het is bovendien sneu dat dit boek geen enkele illustratie bevat, maar dat neemt niet weg dat de lotgevallen van de laconieke 'dunking Dutchman' een mooi contrast vormen bij de enorm belangrijke rol die basketbal in de Amerikaanse samenleving vervult. In de veelbesproken documentaire Hoop Dreams uit 1994 van de onafhankelijke film-makers Steve James, Frederic Marx en Peter Gilbert bleek nog eens hoe groot die rol is. Voor zwarte jongens uit het getto biedt deze sport - tezamen met basebal - een van de drie mogelijke ontsnappingen uit hun deprimerende bestaan (de andere zijn misdaad en muziek). In 1995 waren van de 357 gecontracteerde NBA-profbasketballers er 290 zwart, en Smits is een van de weinige toppers met een blanke huid. Niet voor niets geldt basketbal als zwart vermaak voor een blank publiek. Maar daarover maakt Smits zich niet druk, zoals hij zich eigenlijk over niets druk maakt - en dat doet de lezer wel eens twijfelen of hij als hoofdpersoon van een boek van 274 bladzijden voldoende reliëf heeft.

Louis van Gaal, een voetbalbiografie door Meindert van der Kaaij (geen onderdeel van de 'Nederlandse sportbibliotheek') is als samenvatting van de journalistieke knipselmap over de voormalige trainer van Ajax veel te omvangrijk in verhouding tot de hoeveelheid informatie die het biedt, maar toch geen overbodig werk. Wanneer men 'de vlotte pen en de pakkende stijl' (zegt de achterflap, zelf meen ik dat het gaat om talrijke platitudes) voor lief neemt, biedt het boek niet alleen een dossier over hoe serieus Van Gaal voetbal neemt, maar ook over hoe serieus Nederland Van Gaal neemt en met hem Ajax, voetbal, en sport in het algemeen.

Wat het lezen van deze boeken ondanks de onontkoombare journalistieke vluchtigheid ervan de moeite waard maakt, is misschien vooral dat ze meer vragen oproepen dan beantwoorden. Natuurlijk is het behartenswaardig om te lezen dat volleyballer Ronald Zoodsma in 1994 tijdens het WK in Athene ver na middernacht in de uitgaanswijk Plaka werd gesignaleerd, of dat Van Gaal begon te voetballen in de welpen 2 van de rooms-katholieke sportvereniging De Meer, maar behartenswaardiger is nog te begrijpen waarom we dit zouden willen weten. Naast oorlog, seks en misschien religie is sport een van de extatische menselijke bezigheden. Mogelijk schuilt daar een begin van een antwoord op de vraag waarom wij als samenleving en als individuen een verbijsterende hoeveelheid tijd, middelen en energie erin steken. Het is al vaker gezegd - neen, ik zal hier niet gratuit verwijzen naar Huizinga's Homo ludens - maar het blijft waar: competitie in spelvorm is een wezenlijk deel van de menselijke beschaving. Ieder tijdvak vindt zijn eigen vormen op dit gebied, maar de sterke identificatie van mensen met een van de partijen in een competatief spel is een constante. En die identificatie is even interessant als raadselachtig.

Prooi en roofdier

Waarom is men 'voor' Ajax, of 'voor' Oranje, of 'voor' IJsselmeervogels, of 'voor' Ons Eibernest - en dus tegen alle andere deelnemers aan de competitie? Is het een overblijfsel van de tijd dat de homo sapiens nog meedeed met de strijd tussen prooi en roofdier? Is het een ritualisering van de opstand tegen de patriarchale leider van de gemeenschap, zoals Freud in Totem en taboe suggereerde? Is het een sublimatie van moordlust en destructiedrang?

En indien het antwoord op alle of enkele van deze vragen 'ja' is, wat zegt dit dan over het feit dat wij ons opwinden voor de beeldbuis als Feijenoord kansloos ten onder gaat tegen Juventus, en daarover 's anderendaags langdurig napraten? Wat zegt dit over het schrijven en lezen van sportboeken? En wat zegt het over een krant die deze sportboeken laat recenseren?