China na het laatste partijcongres; Ontslagen zijn in het belang van de arbeidersklasse

President en partijleider Jiang Zemin heeft op het vorige week beëindigde 15de Congres van de Chinese Communistische Partij een nieuwe doorbraak aangekondigd in de hervormingen van de staatssector, die nog 34 procent van de industriële productie in China voor zijn rekening neemt.

Hervormingen van de staatssector zijn al in 1984 begonnen maar zijn telkens gestuit op de gevestigde belangen van het staatsmanagement-establishment.

China is het laatste belangrijke communistische land in de wereld, maar hoe communistisch is het nog? De Communistische Partij zit dankzij de stabiliteit en hoge economische groei van met name de laatste vijf jaar nog stevig in het zadel, de politieke cultuur is nog in belangrijke mate traditioneel communistisch: leuzen, clichés en hyperbolen. Echte repressie bestaat nog slechts tegenover een kleine koppige minderheid van dissidenten, maar is arbitrair en meedogenloos als immer. Censuur is draconisch en primitief, zelfs tegenover buitenlandse toeristen, die geen Herald Tribune of Asian Wall Street Journal kunnen kopen zonder dat er minstens twee pagina's zijn uitgescheurd. Binnenlandse kranten en het dagelijkse televisienieuws zijn nog hetzelfde als twintig jaar geleden. Voor de rest zijn de televisieprogramma's gevuld met soap-opera's, vocaal, quiz- en talkshows.

Groot binnenlands nieuws zoals de verdwijning van de derde man van het regime Qiao Shi wordt alleen gebracht in de vorm van het ontbreken van zijn naam in de nieuwe ledenlijst van het Centrale Comité van de partij. In het politbureau en het permanente comité van het politbureau, de curie van de curie, komt hij dan vanzelf niet. Maar als de president van een verpauperd Afrikaans landje op staatsbezoek komt - en dat is bijna wekelijks - om in ruil voor een lening of schenking van enkele miljoenen namens zijn volk te melden dat Taiwan een deel van China is, dan is dat voorpaginanieuws, soms dagenlang.

Op economisch gebied is China in wezen even communistisch als Frankrijk, waar een sterke staat geobsedeerd wordt door het nationale bezit van grote staatsbedrijven en banken. In China is het aandeel van de staatssector in de gehele industriële productie gedaald van 85 procent in 1978 tot 34 procent in 1996. Dat betekent niet dat de rest geprivatiseerd is. Anders dan in wat internationale economen 'EEFSU' (East Europe and the Former Soviet Union) noemen is privatisering in China een verboden woord.

Wat er in China gebeurt sinds eind jaren zeventig is de opkomst van parallelle economische sectoren, eerst boerenondernemingen, die met lokale dorps- en gemeentebesturen allerlei vormen van samenwerking zijn aangegaan en nu de 'collectieve sector' van tve's (town and village enterprises) vormen. Deze neemt nu 37 procent van de industriële productie voor zijn rekening. Verder zijn er de 200.000 joint ventures met buitenlandse bedrijven (17 procent) en een kleine privésector (13 procent).

Deze drie sectoren zijn de motoren van China's hoge groei met groeipercentages van tussen de 15 en 30 procent geworden. Zij hebben de staatssector platgeconcurreerd en tegelijkertijd op sleeptouw genomen, want wat de staatssector aan verliezen lijdt wordt gecompenseerd door de supergroei in de andere sectoren, zodat China als land toch de hoogste economische groei in de wereld heeft. Daardoor heeft er onder een deel van de Chinese leiding jarenlang de opvatting geheerst dat het niet zo nodig was de staatssector te hervormen. Conservatieven vonden dat de staatssector de economische steunpilaar voor het politieke machtsmonopolie van de partij was en moest blijven.

Voor kleptocraten onder de staatsmanagersklasse was de staatssector een ideaal reservaat, afgeschermd van de markt door een zachte, gesloten boekhouding, met vrijwel onbeperkte kansen om je ongestraft rijk te stelen. Voor prudente politici, zoals vice-premier Zhu Rongji was vooral de laatste jaren het vooruitzicht van bedrijfssluitingen en massale aflegging van arbeiders het grootste obstakel.

Sinds de proclamatie van de 'socialistische markteconomie', de politieke zwanenzang van wijlen Deng Xiaoping in 1992, is het besef gerijpt dat doorknoeien met de staatssector niet langer verantwoord is. De eerste hervormingen van de staatssector dateren van 1984. Onder de decentralisering en debureaucratisering werden de bedrijven losgemaakt van de industrieministeries van de centrale regering en door middel van fiscale contracten overgedragen aan lokale regeringen. Door het gebrek aan 'patronage' van de lokale regeringen en de concurrentie van lokale niet-staatsbedrijven gingen de winsten omlaag en belastingen werden niet meer betaald. De oude regels raakten in onbruik en de nieuwe werkten niet. Het resultaat was systematische corruptie.

De volgende stap kwam in 1993, toen de 'blauwdruk' voor de overgang naar de socialistische markteconomie van kracht werd. Nieuw modewoord was corporatisering. Staatsbedrijven moesten moderne ondernemingen worden, naamloze vennootschappen waarvan de staat eigenaar bleef, maar slechts in de vorm van meerderheids- of grote aandeelhouder. De rest van de aandelen zou worden uitgegeven aan China's twee beurzen in Shanghai en Shenzhen en zelfs in Hongkong. Corporatisering (gongsihua) betekende partiële de facto privatisering maar niet de jure. Over openbare eigendom van de productiemiddelen mocht geen dubbelzinnigheid bestaan, want dat zou een bedreiging voor het socialistische systeem betekenen. Aandeelhouders zouden de facto eigendomsrechten krijgen, maar ze niet uitoefenen, want complete eigendomsrechten bestaan niet in het Chinese burgerlijk recht.

De afgelopen jaren is slechts beperkte vooruitgang gemaakt met corporatisering wegens sterke orthodox-ideologische oppositie, gevestigde belangen, vrees voor sociale onrust als gevolg van fusies en faillissementen en vooral het gebrek aan duidelijkheid over eigendomsrechten. Investeerders willen niet alleen aandelen kopen om winst te maken, maar ook om medezeggenschap over het bedrijf te krijgen en dat is er niet bij.

President en partijleider Jiang Zemin heeft in zijn politiek rapport aan het partijcongres vorige week een nieuwe 'doctrine' over eigendom uitgevaardigd die maandenlang was aangekondigd als een doorbraak. Het woord 'privatisering' werd natuurlijk weer vermeden, maar flexibiliteit en dubbelzinnigheid zijn aanzienlijk toegenomen. Jiang zei: “Wij moeten de eigendomsstructuur aanpassen en verbeteren. De gelijktijdige ontwikkeling van economieën van divers eigendom met openbaar eigendom als hoofdcomponent is een fundamenteel economisch systeem gedurende het beginstadium van het socialisme in China.”

Het 'beginstadium van het socialisme' is een ideologische spitsvondigheid die tien jaar geleden tijdens het Dertiende Partijcongres voor het eerst door de liberale partijleider Zhao Ziyang werd gebruikt om volledige concentratie op ontwikkeling van de productiekrachten te rechtvaardigen. De formulering van Zhao was destijds dat het socialisme in China was voortgekomen uit de schoot van een semi-feodale samenleving en geen kapitalistische basis had gekend zoals de ontwikkelde industrielanden waarvoor Marx zijn leer bedoeld had. Strijd tegen armoede en onderontwikkeling en niet klassestrijd was daarom de hoofdprioriteit en moest dat 100 jaar - vanaf de vestiging van het communistische regime - dus tot 2049 blijven.

Jiang ging nu een stuk verder dan Zhao destijds. Hij zei dat alle vormen van eigendom die de productiekrachten, de nationale economie en de individuele levensstandaard ten goede komen gebruikt moeten worden om het socialisme te dienen. De kwaliteit van publieke activa is volgens Jiang nu belangrijker dan de kwaliteit: het doet er niet meer toe hoeveel van de economie door de staat beheerst wordt als het maar om de strategische industrieën gaat, zoals olie, staal, mijnbouw en graan, en zolang die maar gezond en winstgevend zijn. Zelfs in die sectoren is volledige staatseigendom niet nodig, als de staat maar een meerderheidsaandeel heeft.

Jiang herhaalde dat de hervorming van grote staatsbedrijven tot standaard NV's als de spil van de nationale economie zal doorgaan - zoals het sinds 1993 gepraktiseerd is - en dat tegenover kleine staatsbedrijven een flexibeler beleid zal worden gevoerd, nl. reorganisatie, fusie, leasing, contractoperatie, verkoop op veilingen en met name een nieuwe vorm van aandelenemissie aan werknemers. Jiang sprak het hoge woord dat ontslagen tijdens dit proces onvermijdelijk zijn maar dat dit in het fundamenteel belang van de arbeidersklasse op lange termijn is.

Zullen Jiangs nieuwe voorstellen tot een echte doorbraak leiden? De jonge prominente econoom Fan Gang, professor aan de Chinese Academie van Sociale Wetenschappen, een regeringsdenktank en hoofd van een eigen privé researchinstituut, zegt dat de corporatisering van grote staatsbedrijven nog wel vijf tot tien jaar zal zigzaggen voordat er een alomvattend effectief beleid is.

Van de 3.000 grote staatsbedrijven zijn er in 1994 honderd aangewezen als 'nationaal model voor het modern ondernemingssysteem'. De doorbraak moest komen in 1995, maar aangezien de verliezen in 1996 toenamen werd de experimenteerperiode van eind 1996 tot eind 1997 verlengd. De conclusie is inmiddels dat 80 procent geen NV wil worden. De meeste fabrieksdirecteuren in China zijn in de Sovjet-Unie of met Sovjethandboeken opgeleide ingenieurs, die geen expertise in financieel management hebben. Zij willen geen raad van bestuur en commissarissen boven zich, laat staan een algemene vergadering van aandeelhouders.

Het oude systeem voorziet in bevoorrading met grondstoffen en energie tegen lage prijzen, gegarandeerd door vrienden uit het oude netwerk. Fraude en diefstal kunnen verdoezeld worden. Eet- en drinkgelagen op kosten van de zaak zijn schering en inslag. Managers maken snoepreizen tot aan Las Vegas toe en rijden bijna zonder uitzondering een Mercedes. Financiële rapporten worden gemanipuleerd en statistieken vervalst. De meesten willen het zo houden.

Als er tekorten zijn springt de bank bij. Toen vice-premier Zhu Rongji in 1993 een kredietstop beval, leenden de bedrijven van en aan elkaar. De driehoeksschulden die bedrijven aan elkaar hebben lopen in de honderden miljarden Chinese yuan (een yuan is 25 cent waard). Bankleningen vormen 80 procent van de activa van staatsbedrijven en 95 procent van hun werkkapitaal. De nettowaarde van alle Chinese banken is negatief. De problemen in die twee sectoren, financiën en industrie, kunnen alleen gezamenlijk opgelost worden, en dit zal minimaal 10 tot 15 jaar duren.

Volgens Fan Gang is de enige hervorming die op korte termijn kans op succes heeft die van kleine staatsbedrijven, waarvan er 300.000 zijn. De verliezen in deze categorie zijn procentueel veel hoger dan onder de groten. Aandelen verkopen op dit niveau aan werknemers is veel gemakkelijker dan emissies op de beurs door grote bedrijven. Het is flexibel, op lokale schaal en neemt lokale belangen in acht. Het is al in 160.000 bedrijven gebeurd en gaat heel anders dan in de voormalige Sovjet-Unie waar werknemers coupons kregen als bewijs van mede-eigendom. In China bestaan gigantische spaartegoeden, naar schatting 4 triljoen yuan (500 miljard dollar) in handen van individuen, inclusief arbeiders, en zij betalen voor hun aandelen in contant geld.

Fan Gang zegt dat het niet de bedoeling is dat arbeiders permanente aandeelhouders worden zoals in het oude Joegoslavië, maar dat het slechts als overgangsmaatregel is bedoeld. Het idee is dat arbeiders onder elkaar in aandelen gaan handelen en dat je concentratie van aandelen in handen van een paar ondernemende figuren krijgt. Zo krijg je dan een begin met verandering in de eigendomsstructuur zonder te veel botsingen met gevestigde belangen en zal een nieuwe belangenstructuur ontstaan. Uiteindelijk zal dit tot volledige privatisering leiden, maar dit moet zo gefaseerd gaan dat het het socialistische systeem niet uitdaagt op een manier die als een boemerang terugslaat.

Het nieuwe 'coöperatieve aandelensysteem voor werknemers' is het economische equivalent voor de verkiezingen die al enige jaren op dorpsniveau gehouden worden en redelijk succesvol zijn in het vorm geven aan nieuwe post-communistische bestuursstructuren. Het streven is nu om deze verkiezingen een niveau hoger, op dat van de grotere plattelandsgemeente, te gaan houden. Op deze manier zal het communisme in China wellicht stap voor stap vanaf de basis omhoog zichzelf ontbinden, politiek en economisch.