China in 2020

Zijn China's hoge groeicijfer en economische liberalisering een kans of een gevaar voor de wereldeconomie? De Wereldbank antwoordt: het eerste. De industrielanden hebben ondubbelzinnig voordeel van China's toenemende behoefte aan kapitaal en technologie. Hun arbeidsintensieve industrieën zijn weggevaagd, maar dat was al lang voor de opkomst van China begonnen. Ontwikkelingslanden, met name grote Aziatische buurlanden zoals India en Indonesië, zullen handelsverliezen lijden door de Chinese concurrentie, maar zij zullen ook blijven groeien en Indonesië zal zijn voorsprong op China behouden.

Het Wereldbankrapport China 2020: Development Challenges in the New Century, zojuist gepubliceerd tijdens de jaarlijkse conferentie van de bank en het IMF in Hongkong, prijst China's spectaculair succesvolle overgang van een commando- naar een markteconomie en van een simpele landbouw- naar een stedelijke industriële samenleving. Deze metamorfose heeft van 1978 tot 1995 tot een verviervoudiging van het BNP per hoofd van de bevolking geleid. De bank waarschuwt echter dat verder succes nog steeds niet is gegarandeerd. Wat de meeste landen eeuwen heeft gekost heeft China in twee generaties gecondenseerd. Het hervormingsproces is fragiel en incompleet. Stagnatie en zelfs regressie behoren zeker nog tot de mogelijkheden. De Wereldbank komt daarom met twee scenario's voor het jaar 2020. China kan in 2020 een land met een middenhoog inkomen zijn op het niveau waarop nu Argentinië, Portugal en Zuid-Korea staan (8.000 tot 11.000 dollar per hoofd van de bevolking). China zou dan verder de tweede grootste handelsmogendheid ter wereld na de VS zijn en een van de grootste producenten van voedsel en energie. De bank impliceert dat China ook een moderne open samenleving zou zijn, maar onthoudt zich van elk politiek taalgebruik. Letterlijk staat er: “Het (China) zou omgaan met de wereld als een gelijke en verantwoordelijke partner in handel en financiën, gebaseerd op moderne instituties en de rechtsstaat.”

Het alternatieve scenario is wat de bank noemt 'sinosclerosis', een combinatie van stagnatie, sociale polarisatie, verpaupering van de stedelijke bevolking en megacorruptie van de restanten van een communistisch regime dat tot het bittere einde aan zijn macht en privileges wil vasthouden.

De manier om sinosclerosis te voorkomen is overduidelijk, maar heeft radicale politieke en sociale gevolgen die de regering vooralsnog in onvoldoende mate wenst te riskeren. De Bank beschrijft de volgende problemen: De meeste Chinese (staats-) banken zouden ineenstorten zonder staatsbescherming wegens hun gedwongen leningen aan verlieslijdende staatsbedrijven. Stopzetting van deze leningen zou tot een faillissementsgolf, massale werkloosheid en een sociale crisis leiden. Bankhervorming kan niet verder worden uitgesteld. Een grootschalige 'schuld-herstructurering' is noodzakelijk, maar die zou ten koste gaan van andere belangrijke regeringsuitgaven. Loonbetaling aan arbeiders in staatsbedrijven die niets verkoopbaars meer produceren is een te zware last voor staat en samenleving en moet worden stopgezet. Het alternatief is prijssubsidies voor stedelijke (werkeloze) arbeiders. Dit dwingt tot het verlagen van prijzen voor landbouwproducten en zal leiden tot daling van plattelandsinkomens. Dit zal resulteren in een toeneming van plattelandsmigratie naar steden. Boeren zullen daar laag betaald werk vinden in niet-staatsfirma's en dit zal tot nieuwe sociale frictie en conflicten leiden. Het aanhoudende uitstel in de hervorming van staatsbedrijven leidt tot vertraging van groei en verwaarlozing van pogingen om milieuverontreiniging aan te pakken. Zonder verdere hervormingen hebben bedrijven geen aansporing om milieunormen te respecteren. Dit leidt tot verdere ernstige vervuiling van water en lucht, bedreigingen voor gezondheid in China, zijn buurlanden en de wereld. Een modern belastingsysteem bestaat pas sinds 1994 en werkt nog slechts gebrekkig. Door beperkte fiscale armslag heeft de regering geen middelen om knelpunten in gezondheid, onderwijs en infrastructuur aan te pakken. Evenmin kan zij effectief interveniëren in de groeiende ontwikkelingskloof tussen steden en platteland en kust en binnenland.

De Wereldbank citeert Milton Friedman, die zegt dat China “zowel te veel als te weinig regering heeft: te veel in controles over productie en investeringen en te weinig met betrekking tot de rechtsorde, macro-economisch management en het voorzien in openbare goederen en diensten”.

Wat China nu voor alles nodig heeft is een sterke, resolute regering en een wijs beleid van de ontwikkelde industrielanden. Alleen dan kan het de uitdagingen van de 21ste eeuw aan. “Eenvijfde van de mensheid zou het binnen bereik krijgen om de ketenen van armoede en onderontwikkeling te breken en te bereiken wat de meest opmerkelijke economische transformatie zou kunnen worden die de wereld ooit gezien heeft”, aldus China 2020: Development Challenges in the New Century.