Briefjes onder het kussen; Gesprek met schrijfster Geneviève Brisac

Schrijfster Geneviève Brisac won vorig jaar de Prix Fémina met haar roman 'Drijfjacht op een moeder'. Toch zou ze haar vak van kinderboekenuitgever nooit willen opgeven. “Schrijvers zijn een beetje als pauwen: ze doen nooit wat hen wordt gevraagd, zijn niet te eten, leggen geen eieren en schreeuwen vreselijk.”

Geneviève Brisac: Weekend de chasse à la mer. Uitg. Olivier, 205 blz. Prijs ƒ 38,15. De Nederlandse vertaling, 'Drijfjacht op een moeder' verscheen bij uitgeverij De Geus, prijs ƒ 39,90

“Frankrijk staat momenteel onder hoogspanning. Dat maakt vooral de kinderen erg onrustig. Van hun ouders moeten ze wiskundesommen maken en geen boek zitten lezen. We hebben drie miljoen werkelozen, dus moeten alle kinderen hard werken om later succesvol te zijn. Ze zijn tenslotte niet op de wereld voor de pret.” Fel en ironisch typeert Geneviève Brisac (46) de Franse tijdgeest. Ze is uitgeefster van kinderboeken en schrijfster en won vorig jaar de prix Fémina voor haar roman Week-end de chasse à la mer.

Brisacs personages proberen uit alle macht hun hoofd boven water te houden in die harde, moderne Franse maatschappij. Nouk en haar tienjarige zoontje, de hoofdpersonen uit Drijfjacht op een moeder, zoals de Nederlandse titel van het boek luidt, wonen in een minuscuul appartement in Parijs. Nouk is onzeker en kwetsbaar, haar zoon is opstandig en kritisch, maar ze beschikken beiden over een vrolijke, ironische humor. Samen proberen ze de moeilijke, eenzame dagen rond Kerstmis zo goed mogelijk door te komen. Een vriendin nodigt hen uit het weekend na Kerst te komen doorbrengen in haar Bretonse landhuis. Maar wat een gastvrije uitnodiging leek, blijkt een valkuil die hun leven voorgoed zal veranderen.

In Frankrijk was Drijfjacht op een moeder een groot succes. “Het onderwerp spreekt veel mensen aan,” zegt Geneviève Brisac. “De meeste ouders gaan tegenwoordig uit elkaar. Wat volgt is een dodelijk gevecht, vol wraak en haat, waar de kinderen de inzet van zijn. Mijn boek laat zien hoe het de moeder kan vergaan. Nouk staat niet zo stevig in haar schoenen, maar ze beschikt wel over een groot doorzettingsvermogen. Haar lot wordt bepaald door haar dode hoek, dat ene stukje dat je niet ziet in de achteruitkijkspiegel van je auto en dat ieder mens parten speelt. Ik houd erg van dat laatste beeld uit mijn boek, wanneer de moeder, wanhopig omdat ze door het bedrog van haar vriendin haar zoon is kwijtgeraakt, de zee in loopt. Het is als het ware het spiegelbeeld van de mythologische Afrodite, die majestueus en zeker van zichzelf uit de zee opduikt. Virginia Woolf zei ooit dat je het leven kunt vergelijken met lopen op de stoeprand, maar dan met een afgrond ernaast. Zo zie ik het leven ook. De dialoog tussen moeder en zoon is mijn overpeinzing over het moederschap van vandaag.”

Nouk en haar zoon zijn gezworen kameraden, die elkaar volledig vinden in een spannende fantasiewereld. Toch hangt er een schaduw van eenzaamheid over hun bestaan. Brisac: “Vroeger, toen ik met de kinderwagen door het park liep, voelde ik me altijd erg verlaten. Ik wist nooit of ik mijn dochters wel opvoedde zoals het hoorde. De generaties van mijn moeder en grootmoeder wisten het precies. Mijn hoofdpersoon wil ook erg graag alles goed doen. Ze werkt zelfs in een pedagogische bibliotheek, vol met opvoedkundige werken. Maar je hebt nu eenmaal erg weinig aan dat soort boeken. Ik zelf las er alleen in dat ik alles helemaal fout deed. Ik wilde mijn kinderen bijvoorbeeld niet laten huilen in bed. Ik wilde ze troosten, hoewel iedereen zei dat ik dan verwende krengen van ze maakte. Het leuke van literatuur is juist dat je ermee kunt spelen, erom kunt lachen.”

Fantasiewereld

Toch kan er in de romans van Geneviève Brisac hoogstens een glimlach af. In haar eerste roman, Les filles uit 1987, schetst zij het benauwde leven van een gezin uit de gegoede burgerij aan het begin van de jaren zestig. Drie dochters worden opgevoed door de bonne, de huishoudster en de grootmoeder, terwijl hun ouders schitteren door afwezigheid. De meisjes, die letterlijk een moord zouden plegen voor wat meer ouderlijke aandacht, leven in hun eigen fantasiewereld vol morbide spelletjes, waarin de dood een grote rol speelt. Brisac: “Ik heb dat boek nooit herlezen, maar ik herinner me nog goed dat ik de wereld van een klein meisje uit de doeken wilde doen. Een klein meisje dat opgroeide vóór '68, voordat de wereld veranderde. In Frankrijk leefde men tot 1960 ongeveer zoals voor de oorlog: sober, voorzichtig, streng en vol schuldgevoelens. Je hoeft maar een klassenfoto uit die tijd te bekijken en je ziet hoe lelijk en hoe armoedig de kinderen er toen uitzagen. Het was ook de tijd van de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog. Er werden bommen gegooid, op straat, in het park, overal om je heen. Het enige dat je als kind begreep was dat er zich in die op het oog zo vredige wereld verborgen krachten bevonden, dat er misdaden werden gepleegd, dat er slechte mensen rondliepen. Ik ben nog opgevoed volgens de strenge vooroorlogse regels van mijn grootouders. Mij werd helemaal niets uitgelegd, niets over ons joods-zijn, niets over de Tweede Wereldoorlog. Kun je nagaan wat voor een indruk die ommekeer van '68 op mij maakte, de openheid, de groei, de technische vooruitgang, de ideeën uit de VS.”

In 1968 studeerde Geneviève Brisac Franse letteren in Parijs en hield ze zich intensief bezig met politiek en feminisme. “Ik wilde les geven in de buitenwijken van Parijs en jongeren leren hoe ze een goed manifest moesten opstellen. Daarmee konden ze dan hun bijdrage leveren aan de verandering van de wereld. Maar ik was veel te jong om voor de klas te staan. Ik had helemaal geen overwicht. Samen met de leerlingen schreef ik toneelstukken, die we dan later opvoerden in buurthuizen. De ouders en het schoolbestuur waren niet zo gecharmeerd van wat zij 'politieke opruiende taal' noemden. Ik was ook steeds vaker ziek en uiteindelijk werd ik ontslagen. Daarna kwam ik in de journalistiek terecht. Ik schreef boekbesprekingen van zowat alle kinderboeken die er verschenen en bundelde ze zelf in een tijdschrift. Uiteindelijk werd ik literair criticus bij Le Monde.”

In 1994 verscheen Petite, in het Nederlands vertaald als Van gewicht ontdaan. Het is een aangrijpend autobiografisch relaas van een meisje dat op dertienjarige leeftijd besluit niet meer te eten. Heel eenvoudig, bijna afstandelijk beschrijft de vertelster de roes die het hongergevoel bij haar veroorzaakte, haar bedrog en de onrust die zij veroorzaakte in het gezin. De aftakeling van haar lichaam leidde uiteindelijk tot onderkenning van haar ziekte en een verblijf in een psychiatrische kliniek. Brisac signaleert overeenkomsten tussen haar ziekte en het schrijverschap. “Scott Fitzgerald zei ooit: 'Schrijven is ophouden met ademhalen en maar zien wat er verder gebeurt'. Ophouden met eten is ongeveer hetzelfde. Het is een vorm van zelfdestructie. Het betekent je buiten de wereld plaatsen en zo lang mogelijk volhouden. Later herinnerde ik me niets meer van die jaren. Het schrijven van Petite was als een sprong in het diepe, terwijl ik niet wist of ik nog wel kon zwemmen. Mijn geheugen bestond uit kleine lichtgevende puntjes, die ik al schrijvend met elkaar verbond. Ik had geen idee welk beeld dat uiteindelijk zou opleveren. Petite was mijn afrekening met die hele geschiedenis, een bevrijding. Ach, en eigenlijk was het ook niet zo ernstig. Kijk naar wat Hervé Guibert voor verschrikkelijks schreef over zijn ziekte (aids - MD). Kijk naar The Kiss, de recente roman van Kathryn Harrison, over de incestueuze verhouding die zij had met haar vader.”

Pauwen

In dezelfde periode ontdekte Geneviève Brisac het werk van de Amerikaanse schrijfster Flannery O'Connor (1925-1964) met wie ze zich meteen verwant voelde. Ze schreef een essaybundel over haar leven en werk, Loin du paradis (1991), waarin hun twee persoonlijkheden bijna versmelten. Met de eerste persoon duidt Brisac nu eens zichzelf aan, dan weer de Amerikaanse. “Flannery heeft me erg geholpen. Haar werk is krachtig, sarcastisch en soms wreed. Ik houd erg van haar zwarte humor, van haar eigenwijsheid en van haar eigenaardigheden. Flannery hield bijvoorbeeld van pauwen. Ze hebben een vreselijk karakter en dienen nergens toe. Ze doen nooit wat hen wordt gevraagd, zijn niet te eten, leggen geen eieren en schreeuwen vreselijk. Het enige wat ze kunnen is hun staart opzetten, maar dat doen ze alleen als ze er zelf zin in hebben. Dat is een beetje zoals schrijvers zijn. Het is een prachtige metafoor.”

Toch onderstreept Brisac dat er ook grote verschillen zijn tussen haar en Flannery O'Connor. “Flannery had een schild om zich heen, zoals het schild uit De gedaanteverandering van Kafka. Om te kunnen schrijven heb ik dat schild juist afgeworpen. In Loin du paradis ben ik in Flannery's huid gekropen, maar zij zou dat nooit hebben gedaan. Zij is wat Virginia Woolf een 'gesloten' schrijfster noemde. Ik ben 'poreus', ik sta open voor de wereld. Ik ontmoet graag andere schrijvers en lees hun werk, ze interesseren me. Vaak constateer ik dat zij niets met mij te maken willen hebben, dat zij mijn boeken niet lezen. Ze zijn bang, ze verdedigen zich. Tja, als je wilt geloven dat je de enige schrijver op de wereld bent, dan moet je vooral geen boeken van anderen lezen.”

Ongeveer acht jaar geleden vertrok Geneviève Brisac, wegens verschillen van inzicht, van uitgeverij Gallimard naar L'Ecole des Loisirs, een uitgeverij van kinderboeken. Sinds 1990 schreef Brisac zelf ook een twaalftal kinderboeken, allemaal gepubliceerd bij dezelfde uitgeverij. Heeft dat haar schrijverschap veranderd? Brisac: “Het ontmoeten van kinderboekenschrijvers en het schrijven en publiceren van boeken voor kinderen heeft me vrolijker gemaakt. Ik houd erg van mijn werk als uitgever. Ik wantrouw professionele schrijvers, die niets anders doen dan te koop lopen met hun schrijverschap. ”

Commercie

Nooit zou Brisac haar beroep willen opgeven voor haar schrijverschap. Ze vindt dat het in onze samenleving vreselijk moeilijk is om je als schrijver overeind te houden. “Niemand van ons heet nu eenmaal Shakespeare. En de meesten weten dat ook. Natuurlijk was ik erg blij met de prix Fémina. Maar het is pure commercie, een argument voor de verkoop. Om boeken te verkopen moet je de mensen laten geloven dat ze het boek van De Grote Schrijver in handen hebben. Dus wordt die schrijver eerst bewierookt en vervolgens gedumpt.”

Brisac heeft een uitgesproken passie voor kinderboeken en ze weet precies wat voor boeken zij op de markt wil brengen. “Ik wil le genre vivant uitgeven, levendige, brutale boeken die een beetje verwarring veroorzaken. Boeken van deze tijd, waarin van alles aan de orde komt: liefde, politiek en dood net zo goed als aids of homoseksualiteit. Tegenwoordig kopen ouders graag boeken waar hun kinderen iets van opsteken. Een boek bijvoorbeeld dat speelt in Egypte, met plaatjes van farao's en mummies.”

Haar eigen kinderboeken, over het meisje Olga, lijken van de hand van een eigenwijze, eigentijdse Franse Annie M.G. Schmidt, een schrijfster die ze, via haar contacten met Nederlandse kinderboekenuitgevers, heeft ontdekt en die ze erg leuk vindt. Als jong meisje verzon Geneviève Brisac al verhalen voor haar zusjes en schreven ze samen sprookjes, waarvan ze een boekje maakten. Met haar moeder had ze vooral via boeken contact. “Mijn moeder kwam uit een machtig Grieks-Turks geslacht. Haar vader was ambassadeur en bovendien een beroemd Turks verteller. In 1920 werd de familie verdreven uit Griekenland en installeerde ze zich in Frankrijk. Mijn moeder was een echte femme de lettres. Ze las ons Winnie de Poeh voor, sprookjes en de hele Griekse mythologie. Vaak legde ik kleine lieve briefjes onder mijn moeders kussen, maar zij gaf nooit eens antwoord. Zo word je schrijver.”

Brisac, die twee tienerdochters heeft, woekert met de tijd die ze aan het schrijven kan besteden. Ze vindt het altijd veel leuker om zich met haar kinderen bezig te houden. “Bovendien,” zegt ze, “mijn moeder schreef thuis. Ik heb ervaren hoe dat was. Het is absoluut onmogelijk om onder de ogen van je kinderen duidelijk iets anders te gaan zitten doen. Maar dat geldt misschien niet voor alle schrijvers. Thomas Mann bijvoorbeeld vond dat helemaal geen probleem. Hij had zijn werkkamer op de eerste etage en zijn kinderen zaten beneden. Hij hield zich nooit met hen bezig. Ze hebben zo ongeveer allemaal zelfmoord gepleegd. Ik heb me vaak afgevraagd of het dat nu wel waard was, zoveel ellende om De Toverberg te kunnen schrijven.”