Heldring was helder, met soms een grapje, sniertje of schopje

Fragment uit biografie Week na week, 52 jaar lang, deelde columnist J.L. Heldring (1917-2013) zijn kijk op de wereld met de lezers van NRC Handelsblad. De val van de Muur was een keerpunt in zijn denken, aldus Hugo Arlman in zijn biografie.

Heldring in 2010. Zijn rubriek ‘Dezer Dagen’ stond, in afwijking van de gebruikelijke hedendaagse column, niet vol met statements of meningen, maar was opgebouwd uit feiten, observaties, logische redeneringen en vraagtekens. Foto Vincent Mentzel

Een paar dagen nadat op 9 november 1989 de Muur tussen Oost- en West-Berlijn met hamers en beitels was afgebroken, schreef J.L. Heldring in NRC Handelsblad: „Wanneer beide Duitse landen herenigd zullen zijn, weten we niet, maar het Duitse volk is al herenigd. Donderdagavond hebben we op de televisie gezien hoe honderdduizenden Oost-Duitsers door West-Duitsers in de armen werden gesloten.”

45 jaar lang had Heldring in ‘Dezer Dagen’, zijn rubriek in NRC Handelsblad, over de Koude Oorlog geschreven, over Amerika versus Rusland, over de NAVO tegenover het Warschaupact; het thema had zich ingegraven in zijn denken.

Hoe weinig ideologisch hij ook dacht, de grote gebeurtenissen en ontwikkelingen in de wereld had hij meestal door het denkraam van de Koude Oorlog gezien: „Bijna alles wat er op de wereld gebeurde kon daaraan worden gerelateerd.” Vrij snel na de Tweede Wereldoorlog had voor hem vastgestaan dat West-Europa zonder Amerikaanse militaire bescherming zou bezwijken onder de Sovjet-Russische politieke en militaire druk. Het was de belangrijkste pijler onder zijn denken over de Koude Oorlog geweest.

Voor Heldring was het doel van de Koude Oorlog: „de Russen weg uit Oost-Europa” en „het vreedzaam naast elkaar leven van twee volstrekt verschillende politieke stelsels”. Dat was begin jaren negentig, met de Duitse hereniging, de „bevrijding” van de Oost-Europese landen en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie bereikt; het Westen had gewonnen.

Tegelijk zag Heldring dat het einde van de Koude Oorlog consequenties kon hebben voor de NAVO, die immers was opgericht om de Russen tegen te houden. „Nu ook het gevaar van een grote, gecoördineerde aanval uit het oosten is verdwenen,” zo noteerde hij twee jaar na de val van de Muur, „wat is [dan] de rol van de NAVO geworden?” Gevolgd door: „Het Amerikaans-Europese bondgenootschap raakt steeds meer onderhevig aan middelpuntvliedende krachten. Dit was te voorspellen, want een bondgenootschap zonder vijand is zijn reden van bestaan, althans van concentratie kwijt.”

De val van de Muur in Berlijn was, kortom, voor de journalist en columnist J.L. Heldring zelf een keerpunt, in symbolisch en intellectueel opzicht; het was het moment waarop zijn kijk op en zijn denken over de politieke verhoudingen in de wereld een draai moesten maken – of zouden blijven stilstaan. „Nu de Koude Oorlog voorbij is ben ik [...] verweesd geraakt,” zo schreef hij, „want hij leverde toch een soort kompas op voor ons denken.” Met voor hem ongebruikelijke luchthartigheid schreef hij eind 1990: „Ik heb de Koude Oorlog nooit verschrikkelijk gevonden, ik heb hem zelfs altijd met veel plezier gevoerd.”

Terwijl het Haagse ministerie van Buitenlandse Zaken volhield dat de wereld nog steeds dezelfde was en premier Ruud Lubbers verkondigde dat West- en Oost-Duitsland heel goed naast elkaar konden blijven bestaan, was het uitzonderlijke van Heldring dat juist de man die professioneel groot geworden was met de Koude Oorlog als een van de eersten in 1989 zag hoe fundamenteel de verhoudingen tussen Amerika, Europa en de Europese landen onderling zouden kunnen veranderen. Het was tekenend voor zijn analytisch vermogen en zijn intellectuele lenigheid.

Heldring was voor in de zeventig toen de Muur viel. Vanaf 1945 had hij bij NRC gewerkt, vanaf 1960 had hij wekelijks twee of drie afleveringen geschreven van zijn rubriek ‘Dezer Dagen’. 4.400 afleveringen schreef hij tussen 1960 en 2012, nog te vermeerderen met de talloze tijdschriftartikelen, speeches en lezingen die hij in de loop der jaren op papier zette. In de achthonderd tot duizend woorden van ‘Dezer Dagen’ bediende hij een groeiende groep NRC-lezers met scherpe analyses, prikkelende vragen en confronterende dilemma’s uit de buitenlandse politiek, de democratische troebelen van de universitaire wereld, onoplosbare vragen in religie en geloof, de logica die taalgebruik zou moeten beheersen en het verschil tussen liberaal en conservatief. Wie de ene keer gelezen had over de betekenis van Jezus’ kruiswoorden, werd in de volgende aflevering geconfronteerd met de haperende Europese eenwording, Dostojevski en de Groot-Inquisiteur, de Nederlandse taal en het belang van correct kommagebruik, het niveau van het universitair onderwijs, het verband tussen seks en de studentenopstanden van 1968, of de werken van de Russische filosoof Lev Sjestov.

Heldring als hoofdredacteur van NRC aan de Witte de Withstraat te Rotterdam, 1968. Foto Vincent Mentzel

‘Dezer Dagens’ waren helder en ondubbelzinnig opgeschreven. Het taalgebruik was precies en zonder veel opsmuk. Of het moesten de zorgvuldige observaties zijn waarmee de rubriek soms begon. Daarnaast was er hoogstens de versiering van een goedgekozen citaat in Frans, Duits, Engels of Latijn, of soms een onderkoeld gepresenteerd grapje, sniertje of schopje onder tafel. Hofland noemde dat: „De onnavolgbare muziek in zijn stijl.”

Heldring was gezegend met een zeldzaam goed geheugen: voor mensen, voor geschiedenis, voor boeken die hij gelezen had, voor geografie. Dat was, gekoppeld aan zijn brede nieuwsgierigheid en leeshonger, te merken aan zijn columns, die regelmatig wonderen van kennis en eruditie waren.

‘Dezer Dagen’ stond, in afwijking van de gebruikelijke hedendaagse column, niet vol met statements of meningen, maar was opgebouwd uit feiten, observaties, logische redeneringen en vraagtekens. Juist daardoor verrichtten zijn ‘Dezer Dagens’ dat waar hij ze voor bedoeld had: „Waar het op aankomt is de mensen tot nadenken te zetten. ‘L’essentiel est de faire réfléchir.’”

Lees ook Heldrings laatste column voor NRC: Niet om de lezer te bekeren, maar om hem ten dienste te zijn

Als het over buitenlandse politiek ging – een van zijn hoofdonderwerpen – had Heldring als uitgangspunt dat het gedrag van landen vooral werd bepaald door hun eigen belangen en hun machtspolitieke overwegingen en niet door hun ideologie. Dat gold voor de Verenigde Staten, voor de Sovjet-Unie en voor Nederland. Ideologie en propaganda werden er als een vernislaagje van schone schijn overheen gelegd. Hoe gek de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-il of de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad in westerse ogen ook konden lijken, uiteindelijk zat er bij beide een min of meer rationeel idee achter. Een kernmacht die sterk genoeg was om Amerika af te schrikken van een aanval had in Heldrings ogen een zekere logica. „Dit mag dan waanzin zijn, toch zit er lijn in”, citeerde Heldring uit Shakespeares Hamlet.

Zijn taalgebruik was precies en zonder veel opsmuk

Heldring was op zijn best als hij koel en analytisch de politieke verhoudingen rond, bijvoorbeeld, Noord-Korea fileerde en op die manier de lezer opnieuw aan het denken kon zetten. „Nu roept iedereen dat China Noord-Korea tot de orde moet roepen. Het is inderdaad het enige land dat dit zou kunnen doen, maar het kijkt wel uit. Implosie van het regime zou wellicht tot gevolg hebben dat miljoenen Noord-Koreanen zouden uitwijken naar het welvarender China. Het zou ook kunnen leiden tot een verenigd Korea, Amerika’s bondgenoot, dat China’s grenzen zou bereiken.”

Met hetzelfde gereedschap keek hij naar Iran en kon, door alle op emoties en ideologie gebaseerde praatjes van Iraniërs, Amerikanen en Israëli’s heen, een ingewikkelde kluwen van belangen tot overzichtelijke proporties terugbrengen. Dat gold zeker als de analyticus Heldring zich niet door zijn politieke partis pris – de Amerikaanse militaire paraplu boven West-Europa is noodzakelijk, de politieke samenwerking tussen de Europese landen zal nooit tot stand komen – in de weg liet zitten. Dan schreef hij als de non-conformist en onafhankelijk denker die hij was. „Zonder angst of wederdienst” ten opzichte van dezelfde elite waar hij sociaal gezien deel van uitmaakte, zonder partijaffiliaties, niet gehinderd door politieke ideologieën als socialisme, conservatisme of liberalisme. „Zo kon hij van buiten naar binnen kijken, met het gevoel van de insider die de grenzen en mogelijkheden kende”, werd over Heldrings voorbeeld Raymond Aron geschreven. Het gold ook voor Heldring.

Hij was te bescheiden om zichzelf met Raymond Aron te vergelijken.

Ook omdat Aron hoogleraar was geweest en wetenschappelijk werk had geschreven. „Ik durf het nauwelijks te zeggen omdat het zo arrogant klinkt, maar in hem zag ik een geestverwant,” zei hij in een interview met NRC Handelsblad in 2002. „Aron kon zaken op zo’n buitengewoon lucide wijze samenvatten dat ik vaak dacht: god, dat ik daar nooit zelf op gekomen ben. Hij schreef eens dat mensen die bereid zijn om te sterven voor een ideaal, zéker bereid zijn om een ánder te laten sterven voor dat ideaal. Heel eenvoudig. Heel treffend. En het is natuurlijk waar. Andermans leven is een minder groot offer dan je eigen leven.”

Feit is dat Heldring, ruim tien jaar jonger dan Aron, op eenzelfde zorgvuldige, nuchtere en scherpe manier schreef. „Waarheid is het doel, koele analyse het middel”, schreef Marijn Kruk over Heldring en Aron.

Lees ook de necrologie van Heldring na diens overlijden in 2013: Een man van vraagtekens, niet van uitroeptekens

De Nederlandse historicus Johan Huizinga was een andere bron waaruit Heldring putte. Hij was verreweg de meest geciteerde schrijver in de ‘Dezer Dagen’-verzameling. Vooral als het ging om cultuurhistorische onderwerpen greep Heldring met grote regelmaat terug op diens ‘volkskenmerken’, de grens tussen West- en Midden-Europa, het gevaar van de massa, de legitimiteit van conservatisme. Het zou maar zo kunnen zijn dat bij Heldrings voorkeur voor Huizinga heeft meegeholpen dat de eerstejaars rechtenstudent de beroemde hoogleraar geschiedenis in levenden lijve zag wandelen vanaf zijn huis aan de Witte Singel in Leiden – waar hij de buurman was van Jerome’s oom W. Brede Kristensen –, of door het lezen van In de schaduwen van morgen tijdens een bootreis naar Griekenland in 1936.

De schrijfster Carry van Bruggen werd, nadat hij haar boek Prometheus in de oorlog had ontdekt, zijn „huisfilosoof”. In een ontvankelijke periode van zijn leven maakte hij zich een deel van haar denkwijzen eigen, en voor hem basale ideeën als dat de identiteit van mensen en van naties bestond bij gratie van „het verschil met anderen” en het spanningsveld tussen de drang tot „zelfhandhaving” tegenover „zelfopheffing” zouden hem nooit meer verlaten.

Hugo Arlman, De eeuw van J.L. Heldring (1917–2013). Een biografie. Uitgeverij Van Oorschot, 592 blz. €34,99
    • Hugo Arlman