Amsterdam ontsnapt aan het tijdelijke

Tentoonstelling: Veranderend Amsterdam, Kunsthandel Frans Jacobs, Rokin 46 Amsterdam, t/m 12 oktober, wo-za 12-17u, catalogus ƒ 59,50.

Rembrandt wandelde Amsterdam uit in noordoostelijke richting, en zag toen hij zich omdraaide een stadje in de polder, omgeven door molens en aarden wallen. Dit beeld legde hij vast in zijn ets Gezicht op Amsterdam uit 1640. Er liggen een paar schepen op het IJ, de toren van de Oude Kerk steekt boven de huisjes uit. Het hoogste punt vormt de Montelbaanstoren.

Deze ets is een inleiding tot de tentoonstelling Veranderend Amsterdam, in Kunsthandel Frans Jacobs, waarbij we aan de hand van bekende (Breitner, Israëls, Sluijters) en minder bekende schilders de stad betreden. De schilderijen laten soms zien wat er niet meer is, maar vaak ook wat er gelukkig nog wel is. In dit opzicht is de titel van de tentoonstelling wat misleidend. Amsterdam is niet aan zo'n rigoureuze stadsvernieuwing ten prooi gevallen als andere steden, zodat de meeste gebouwen op de schilderijen nog herkenbaar zijn.

De Montelbaanstoren aan de Oude Schans is een van die eeuwenlang onaangetast gebleven gebouwen. Daarom was deze toren, bij Rembrandt zo fijntjes geëtst, breekbaar als een bouwwerk van luciferhoutjes, een geliefd onderwerp van schilders. Op vier schilderijen op de tentoonstelling komt de toren voor, schilderijen van Hobbe Smith, C. C. Dommelshuizen, en twee van David Schulman. Op deze doeken zien we de toren, vroeger 'Mallejaap' genoemd, van meer nabij dan bij Rembrandt, niet breekbaar maar robuust, in overeenstemming met zijn oorspronkelijke functie als vestingtoren. In 1606 kreeg hij zijn sierlijke spits, ontworpen door Hendrick de Keyser, bouwmeester van onder meer de Zuiderkerk en de Westerkerk.

Vanaf de Montelbaanstoren, sinds 1878 een stadswaterkantoor, schijn je het mooiste uitzicht over de stad te hebben. Jacob Olie maakte rond 1865 een serie foto's vanuit de toren. Een van die foto's, overdekt met krassen en zwarte vlekken, ademt een mysterieuze sfeer: de daken van wat toen de 'Ridder- en Jonkerbuurt' heette steken als ijsschotsen uit de dikke mist. Vorig jaar in augustus, meer dan een eeuw later, fotografeerde Siebe Swart een stadspanorama vanuit de Montelbaanstoren.

De stad wordt op de schilderijen vaak vanaf een hoog standpunt afgebeeld, zoals op het schilderij van de Nieuwmarkt van Cornelis de Kruijff uit de eerste helft van de vorige eeuw, en op de schilderijen van het Rokin van Jan Sluijters uit 1930, geschilderd vanuit het verenigingsgebouw Arti et Amicitiae. Wie vanaf een hoog punt de stad overziet, beleeft bij de aanblik van de eindeloze dakenrijen, en door de plotselinge vrijheid tot aan de rand van de stad te kunnen zien, een schoonheidservaring die de stadsbewoner gewoonlijk vreemd is. De wereld ziet er zo van boven toch beter uit; je voelt je ontheven aan het tijdelijk gewemel, dichter bij het eeuwige, en de stad waarover je uitkijkt zou goed die van honderd jaar geleden kunnen zijn.

Deze ontsnapping aan het tijdelijke wordt nog beter aanschouwelijk gemaakt door een schilderij van Hans Engelman (1922), Singel, Amsterdam, uit 1978. Vanaf een dak, gevaarlijk dicht bij de rand, kijk je over de grachten naar de Westertoren. Je kunt je in elke tijd wanen, totdat je onderaan het schilderij drie speelgoedautootjes ontdekt.

Op de twee schilderijen van de joodse buurt, van Cornelis Springer (1817-1891) en C.C. Dommelshuizen (1842-1928), is de stad wèl erg veranderd. Op Springers Gezicht in de jodenbuurt in Amsterdam (1871) staan mensen in de winter te kleumen op straat. Een jongetje trekt een slee met zware tonnen. Het zijn Dickensiaanse taferelen, ook op Dommelshuizens Joodse buurt te Amsterdam uit 1890: in een schemerige straat tussen krotwoningen wordt vis en servies verhandeld. Een schoenpoetser wijst naar de schoenen van een karikaturaal weergegeven rijke jood, met sigaar, paraplu en hoge hoed. 'De lokatie van dit straatje is niet meer te achterhalen', schrijft Christel Aaftink in de voortreffelijke catalogus, waarin naast sommige schilderijen ook zwart-wit foto's van de huidige situatie zijn opgenomen.

De joodse buurt bevond zich tussen het Meijerplein en de Nieuwmarkt. In de jaren twintig werd begonnen met de afbraak van de ergste, onbewoonbaar verklaarde woningen. Met de aanleg van de metro en bredere wegen voor de IJtunnel in de jaren zestig verdween deze buurt voorgoed. Een ander schilderij, van M.H. MacKenzie (1878-1961), dat wellicht ook in die buurt gesitueerd kan worden, toont de gruwelijkste fase in de stadsvernieuwing: de gaten die geslagen worden in een rij huizen, die doet denken aan een slecht gebit. Het gaat om MacKenzie's schilderij Bouwput te Amsterdam uit het begin van deze eeuw. De grijze ruïne, tijdelijk verlaten door de bouwvakkers die hun gereedschap achterlieten, biedt een treurige aanblik. Ook MacKenzie's leermeester Breitner heeft bouwputten gefotografeerd en geschilderd.

De tentoonstelling Veranderend Amsterdam bevat, afgezien van Breitner, Israëls, Gustave de Smet, Jan Sierhuis en enkele anderen, veel werken uit de vorige eeuw in een 'traditionele' realistische stijl. Daarbij zitten prachtige werken van relatief onbekende schilders als Charles Leickert, David Schulman, en M.H. MacKenzie. De stadsgezichten op deze tentoonstelling, die buiten de veilinghuizen niet vaak tezamen te zien zijn, lenen zich uitstekend voor een nostalgische reis door een stad waarin je nooit meer iets vernieuwd zou willen zien.