Visitatiecommissies; Door de doornen naar de sterren

Commissies spreken harde oordelen uit over de kwaliteit van het hoger onderwijs. Slechte opleidingen krijgen een 'gele kaart'. De minister bedreigt ze met sluiting. Over het effect van visitatie.

HEEFT MINISTER RITZEN een dubbele agenda? Die vraag stelde M. Langbroek, directeur van de faculteit onderwijs aan de Christelijke Hogeschool Windesheim zichzelf vorige week na een gesprek met de beleidsman op het departement. Het onderhoud was een laatste poging de minister ervan te overtuigen dat de deeltijd-opleiding voor eerstegraads leraren aan Windesheim kwalitatief niet onder de maat is. Ritzen had dit gesuggereerd in een brief die Langbroek begin juli ontving. De strekking van de brief, die ook bij zeven andere hogescholen op de mat viel: als uw lerarenopleiding voor medio oktober niet drastisch is verbeterd, kan zij haar poorten sluiten.

“Onbegrijpelijk”, zo noemt Langbroek de brief van de minister. Goed, de visitatiecommissie die begin jaren negentig de lerarenopleiding aan Windesheim bezocht, had gelijk: er werd onvoldoende samengewerkt met de universitaire lerarenopleidingen voor eerstegraads leraren. En ook de samenwerking met andere HBO-lerarenopleidingen kon beter. Maar dat was tòen, inmiddels is er veel veranderd. Volgens Langbroek maakt zijn opleiding zich tegenwoordig sterk voor schaalvergroting. En ook alle andere aanbevelingen van de visitatiecommissie - betere voorbereiding op de onderwijspraktijk, meer zorg voor de kwaliteit - zijn de afgelopen jaren netjes opgevolgd.

En toch, zegt Langbroek, draaide het vorige week in Den Haag maar om twee begrippen: kleinschaligheid en samenwerking. De directeur: “Er is maar één verklaring mogelijk voor het gedrag van Ritzen: hij wil alle eerstegraads HBO-lerarenopleidingen overhevelen naar de universiteit. Die brief is een eerste aanwijzing.”

De directeur zegt allerminst bang te zijn voor de dreigende taal van de minister. “Op grond van kwaliteitsgebrek kan onze opleiding niet worden gesloten - daarvoor hebben we te veel tegenbewijzen. En als uitvloeisel van die dubbele agenda? Is mogelijk. Maar dan zal er eerst heel wat politieke strijd moeten worden geleverd.”

De brief van de minister kan achteraf worden beschouwd als voorbode van zijn nieuwe plannen. In het meest recente Hoger Onderzoeks- en Onderwijs Plan (HOOP) dat met Prinsjesdag verscheen, kondigde Ritzen aan dat hij hogescholen en universiteiten die onder de maat presteren, sneller en eenvoudiger tot sluiting wil dwingen. Een onderwijsinstelling krijgt dan geen geld meer om een opleiding aan te bieden en mag geen diploma's meer uitreiken. Andere plannen uit het HOOP '97: een nationaal ranking systeem voor opleidingen, een 'vergelijkend warenonderzoek' tussen het Nederlandse en buitenlandse wetenschappelijk onderwijs en een betere kwaliteitsbeoordeling door visitatiecommissies.

De kwaliteit van het hoger onderwijs is voortdurend onderwerp van discussie sinds de overheid hogescholen en universiteiten medio jaren tachtig meer bestuurlijke vrijheid beloofde in ruil voor een landelijk beoordelingsstelsel. Sinds 1988 wordt de kwaliteit van het universitaire onderwijs systematisch beoordeeld door externe visitatiecommissies, in opdracht van de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten). In 1990 volgden de hogescholen met een soortgelijk systeem, waarvan de coördinatie berust bij de HBO-raad.

Beide systemen stonden in het verleden regelmatig bloot aan kritiek. Niet alleen zou onderzoek uitwijzen dat faculteiten de aanbevelingen van visitatiecommissies slechts in de helft van de gevallen opvolgen. De commissies, die in de meeste gevallen uit vakdeskundigen bestaan, zouden bovendien niet objectief genoeg zijn. Verder zouden zij kwalitatief sterk verschillen en een grillige werkwijze hanteren. In haar rapport Kwaliteitszorg hoger beroepsonderwijs 1996 concludeerde de Inspectie van het Onderwijs onlangs dat een aantal visitatiecommissies hun werk niet goed had gedaan. “De visitatierapporten zijn beknopt, onvolledig en onderling (per school) afwijkend”, aldus de inspectie.

Voor E. Alberts, clustermanager bij de Pabo in Rotterdam, was het eerste bezoek van een visitatiecommissie begin jaren negentig “een leerzame marteling”. Haar kennismaking met de vier commissieleden - twee onderwijskundigen en twee ex-directeuren van een onderwijsinstelling - staat haar nog helder voor de geest. Alberts: “Er heerste een gespannen, maar opgewekte sfeer. Docenten, studenten en het management hadden de handen ineen geslagen. Zo van: kom maar op, we zullen jullie eens een poepie laten ruiken.” De Pabo had eerder een 'zelfevaluatie-rapport' geschreven waarin zowel de sterke als zwakke punten van de opleiding uitvoerig aan bod kwamen. De avond voor de bewuste dag kwam het viertal nog langs om wat documenten in te zien. “Er leek geen vuiltje aan de lucht, we zouden gewoon ons zegje doen”, verzucht Alberts, “maar helaas pakte het anders uit.”

De strategie die de commissie hanteerde, loog er niet om: in rap tempo werden studenten, docenten en directieleden afzonderlijk van elkaar ondervraagd. Ook Alberts moest eraan geloven. “Ondervragen is eigenlijk niet het goede woord”, zegt zij vijf jaar later. “Er werden stellingen geponeerd naar aanleiding van zaken die we in onze zelfevaluatie hadden aangestipt. Een opmerking over 'besluitvorming via consensus' werd op de volgende wijze opgepakt: “Zeg mevrouw, de docentenvergaderingen bij u zijn uit den boze. Beseft u niet hoe ineffectief democratische besluitvorming is?”

Het clusterhoofd trekt de grote bril van haar neus en fluistert: “Ik werd ontzettend boos, want ik was het daar helemaal niet mee eens. Ik weet nog dat ik riep: u kwam toch onderzoek verrichten? Nou, volgens mij staat uw standpunt al vast.” Ze geneert zich enigszins voor die emotionele reactie ('het liep nog net niet op een vechtpartij uit'), maar achteraf is haar houding te verdedigen, vindt zij. “De commissie nam slechts een dag de tijd en maakte gebruik van gewiekste en harde strategieën. Bovendien stond er voor de school veel op het spel - een reputatie, ons bestaansrecht - dus ja, wat wil je?”

Het harde oordeel van de visitatiecommissie kwam als een verrassing: de opleiding zou studenten onvoldoende voorbereiden op de praktijk en het ontbrak bovendien aan een samenhangende visie. Alberts: “We waren trots op onze opleiding en voelden ons onheus bejegend.” Toch ging zij, als leidster van het vernieuwingsproces, direct aan de slag. “Uiteindelijk hangt je bestaan ervan af, dus je hebt geen keus.” Er werd een vernieuwingsrapport geschreven dat werd afgekeurd door de onderwijsinspectie. Het leverde de Rotterdamse Pabo (evenals 62 andere Pabo's in Nederland) in 1995 een gele kaart op: de zogenoemde 'zorgelijkheidsverklaring'.

Een consultancy firm werd ingeschakeld om 'de gedachtenvorming te stroomlijnen'. Vervolgens werden er kleine docent-themagroepen gevormd om de samenwerking tussen de vakgebieden te bevorderen. Ook werden de contacten met scholen verstevigd en de stages aangepast.

Ruim drie jaar later en een 'vervolg-visitatie' verder ligt de school op koers: de gele kaart is ingetrokken en de sancties waarmee de commissie aanvankelijk dreigde, zijn uitgebleven. De hele operatie heeft de school volgens Alberts een paar ton gekost. Maar: “De druk is van de ketel en het onderwijs is er zeer op vooruit gegaan.”

De eerste kennismaking met een visitatiecommissie was ook voor Zandrie Albada “even slikken”. Albada is sinds dertien jaar docent aan de faculteit Gedrag en Maatschappij van de Hogeschool Ichthus in Rotterdam. De faculteit kreeg in 1994 een extreem slechte beoordeling van de visitatiecommissie: de samenhang in het programma was ver beneden de maat en docenten stemden hun lessen nauwelijks af op de arbeidsmarkt. Albada erkent: “De meeste docenten ontfermden zich alleen over hun eigen vakterrein - verder keken ze niet.”

Een en ander kwam pas aan het licht bij de komst van de visitatiecommissie. De docent: “We hadden onze ideeën vooraf nauwelijks op elkaar afgestemd. Dat kwam doordat zich in het verleden nogal wat meningsverschillen voordeden die niet werden uitgesproken.” Het resultaat was 'een middagje spitsroeden lopen'. Albada: “Ik herinner me dat mijn zes collega's en ik vol goede moed aan het gesprek begonnen. De sfeer was uiterst formeel, we hadden allemaal last van autoriteitenangst, maar we wilden ook ons beste beentje voorzetten.”

Hij beschrijft de situatie: zes schooljongens op een rij, tegenover een nietsontziende commissie. Albada: “Ik moest mijn best doen om ertussen te komen, iedereen kakelde door elkaar heen. We waren net een stelletje ongeleide projectielen.” Een bijkomend probleem, stelt de docent, was dat de Ichthus-medewerkers er stuk voor stuk een andere mening op nahielden: “We vielen elkaar af in plaats dat we elkaar aanvulden. Vind je het gek dat de commissie achteraf sprak van onvoldoende samenhang?”

Ook voor het Ichthus volgde een zorgelijkheidsverklaring. De directie voerde diverse personele wisselingen door en zette het mes in het onderwijsprogramma. Er werd een 'opleidingsmanager' aangesteld die verantwoordelijk werd voor de organisatie en inhoud van Gedrag en Maatschappij. De opleiding werd beroepsgerichter en kreeg de beschikking over nieuwe didactische onderwijsvormen. Studenten kregen meer vrijheid. Docenten werden omgevormd tot 'hulpvaardige begeleiders'. In augustus 1997 trok het ministerie van Onderwijs de zorgelijkheidsverklaring in. Albada: “We moesten door de doornen naar de sterren, maar het is ons gelukt.”

Sinds de instelling van de visitatiecommissies hebben steeds meer hogescholen en universiteiten de hulp ingeroepen van externe adviseurs. Piet Mostert was ooit coördinator kwaliteitszorg bij de HBO-raad, tegenwoordig heeft hij zijn eigen adviesbureau in Leusden. Een van zijn diensten is het verlenen van proefvisitaties. Mostert: “Wanneer er sprake is van communicatieve ruis probeer ik die eruit te halen. Vaak zijn er meningsverschillen die niet worden uitgesproken. Ik probeer mensen over hun verlegenheid heen te helpen. Ik ondervraag mensen niet afzonderlijk, maar in de groep, zodat alle visies aan bod komen.” Mostert richt zich vooral op het 'bewustwordingsproces'. “Scholen doen zichzelf vaak tekort. Mijn taak is ze te wijzen op wat ze in huis hebben.”

Volgens R.H. Lieshout, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Universiteit van Nijmegen, maken universiteiten die een gele kaart krijgen vaak de fout dat ze “signalen van buiten negeren of visitatiecommissies gebruiken voor een politiek spel”. Heeft de Nijmeegse faculteit politicologie, die begin jaren negentig op een haar na werd gesloten werd omdat zij de aanbevelingen van de visitatiecommissie niet zou hebben opgevolgd, zich daaraan schuldig gemaakt? Lieshout wil die vraag niet beantwoorden: “Laten wij het er maar op houden dat die gele kaart voorkomen had kunnen worden en dat hij te wijten was aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden.”

In de herkansing voerde de faculteit politicologie een aantal grootscheepse veranderingen door. Er werd voor Lieshout een leerstoel gecreëerd en het propedeusejaar kreeg een minder algemeen karakter. Uiteindelijk kon Lieshout de onderwijsinspectie er vorig jaar alsnog van overtuigen dat de Universiteit van Nijmegen een volwaardige opleiding politicologie heeft.

De hoogleraar met onverholen trots: “Ik beheerste het spel en probeerde de zaken face value te nemen: dit is goed, dat kan beter. Ik wilde de commissie geen rad voor ogen draaien.” In haar laatste rapport sprak de commissie van 'een academische opleiding in een stimulerende ambiance'. De hoogleraar: “We begonnen met dikke onvoldoende en zijn geëindigd met een ruime voldoende. Daar mogen wij best even bij stilstaan.”