Truckers in Afrika: gevaar alom

Het grootste deel van het transport in Afrika heeft plaats over de weg. Het werk van de vrachtwagen- chauffeurs is zwaar: bandieten, corrupte politieagenten en het aidsvirus liggen op de loer.

NAIROBI, 25 SEPT. “Vrachtwagenchauffeurs zijn eigenlijk een beetje vreemde mensen”, zegt Mutsopi. Met zijn tanden ontdoet hij een flesje bier van de dop en vervolgt: “Ik ben het grootste deel van mijn tijd moederziel alleen met mijn vrachtwagen. Ik wíl alleen zijn, ik ben mijn eigen baas, een koning.” Zijn collega Sikuli valt hem bij. “Je hebt gelijk, ook ik houd van mijn vak. Maar het baart me zorgen hoe gevaarlijk ons beroep is geworden. Politie, boeven, guerrillastrijders, nergens is het meer veilig langs de Afrikaanse wegen.”

Er ontstaat een levendige discussie in de kantine bij het politiebureau waar vrachtwagens worden geïnspecteerd, iets ten zuiden van de Keniaanse hoofdstad Nairobi. De voertaal is afwisselend Frans, Kiswahili en Engels, want dit is een internationaal gezelschap chauffeurs afkomstig uit Congo, Ethiopië, Somalië, Rwanda en Kenia.

Abdulla werkt al sinds begin jaren zestig als vrachtwagenchauffeur in 'moeilijke gebieden'. Hij begon bij een hulporganisatie in Biafra, leverde voedsel af tijdens de grote hongersnood in 1984 in Ethiopië en waagde zijn leven in de oorlog in Zuid-Soedan. Er vielen veertien doden en acht vrachtwagens gingen in vlammen op toen zijn konvooi in 1986 in Zuid-Soedan onder vuur kwam. “De situatie is voor ons slechter geworden”, begint hij. “Er bestaat veel meer gevaar dan vroeger, door de oorlogen en door het toenemend aantal landmijnen. Iedereen kan tegenwoordig gemakkelijk een machinegeweer op je auto richten en je aan stukken schieten. We zijn veel kwetsbaarder dan vroeger.” Daar stemmen alle aanwezigen mee in.

Bij gebrek aan een goed en efficiënt spoornet vindt het grootste deel van Afrika's transport plaats over de weg. In ieder dorpje vind je tegenwoordig Coca Cola, Omo, talrijke soorten zeep, Blue Band, bakolie, aspirientjes, sigaretten en andere consumptiegoederen. Over lange afstanden, tijdens reizen van soms weken, over wegen die soms niet meer zijn dan paden, leveren vrachtwagenchauffeurs hun waren af. De vrachtwagens voor de lange afstand zijn van grote bedrijven, privé-handelaren en de grote internationale hulporganisaties. In noodgebieden opereren het Wereld Voedsel Programma van de Verenigde Naties en het Internationale Rode Kruis, dat bij Nairobi een groot wagenpark voor Afrika heeft.

Vrachtwagenchauffeurs verbinden de meest afgelegen plaatsen op het moeilijk begaanbare continent. Daar waar oorlog woedt of gewapende anarchie heerst, komen journalisten even langs en landen soms vliegtuigen met hulpverleners. De vrachtwagenchauffeurs zijn er altijd, met voedselhulp of handelswaar.

Pagina 11: 'In Somalië ligt de dood op de loer'

De chauffeurs in Afrika rijden door mijnenvelden of gebieden waar losgeslagen milities opereren. Ze slapen onder hun auto en koken hun eigen potje. In streken als Zuid-Soedan, zonder enige asfaltweg, zitten ze dagenlang vast in zuigende modderplassen. Ze staan er alleen voor: er is geen ANWB, geen benzinestation, geen monteur. “We zijn de werkelijke helden van hulpoperaties”, prijst een jonge turn boy uit Goma zich aan.

Een transportmanager bij een grote hulpoperatie acht dát wat overdreven. “Nee, het zijn geen heiligen. Een van de voornaamste redenen waarom ze dit soort werk blijven doen, is smokkel. In oorlogsgebieden bestaan altijd tekorten en door alleen al een paar sloffen sigaretten mee te nemen, kan je goed bijverdienen.”

Moses rijdt al 17 jaar voor het Internationale Rode Kruis. Welke landen vindt hij het moeilijkst? “Somalië”, antwoordt hij onmiddellijk. “De dood ligt er altijd ergens op de loer. We kwamen eens in een stadje waar honderden chauffeurs van commerciële vrachtwagens waren gestopt. De weg verderop was te gevaarlijk. Ons konvooi moest echter doorrijden van de projectleider van het Rode Kruis. Toegegeven, de wagens van de grote hulporganisaties beschikken over radiocontact. Maar toch. Er blijft je dan geen andere keuze, je móet wel in dit vak, het is als met journalisten. Ik dacht dat ik gek geworden was, maar nam het risico. We werden op deze reis alleen beroofd van ons geld en horloges, door gewone bandieten, daar zijn we wel aan gewend. Ik vrees alleen nog voor mijn leven.”

Vrouwen, ze zijn al even gevaarlijk als bandieten en guerrillastrijders. Vele hoofdwegen in Oost-Afrika staan bekend als 'Aids-highways'. Op het parkeerterrein bij de kantine ligt in de smeerolie een hoopje ongebruikte condooms. Wat doe je als je na een lange en eenzame reis in de havenstad Mombasa vier dagen moet wachten op een nieuwe lading? “Daar hebben we geen geld voor”, antwoordt Kambela die de vraag goed heeft begrepen. Hij klinkt ongeloofwaardig en het gelach onder het groepje chauffeurs in de kantine verraadt dat hier een leugen is verkondigd. Of is het een kwestie van interpretatie? Even later vertellen de meesten wél een vriendinnetje te hebben: één in Mombasa, één in Nairobi, één in Nakuru, één in Kampala, één in Kigali en één in Goma, kortom in iedere grote stad langs de route.

“Hoe kan je trouw zijn aan je echtgenote als je slechts tien procent van je tijd thuis bent”, merkt Sikuli op. Hij rijdt al twintig jaar op de route van Oost-Congo naar de Indische Oceaan. Hij trekt een serieus gezicht. “In die twintig jaar verloor ik zeker twintig collega's en vrienden, vooral door de nieuwe ziekte.” Die 'nieuwe ziekte' heet al lang aids. Het hiv-virus eiste opvallend veel slachtoffers langs de routes van vrachtwagenchauffeurs.

“Toen vorig jaar de oorlog in Zaïre uitbrak, verbleef ik in Mombasa”, vertelt Sikuli. “Zeven maanden zat ik er vast voor ik weer naar huis kon in Zaïre. Ik miste mijn familie verschrikkelijk. Natuurlijk zoek je dan soelaas bij vrouwen, het kan niet anders. Maar toch, al vind je comfort langs de weg, je blijft je familie missen.”

Er ontstaat een discussie over de tegenstrijdige gevoelens. Over de behoefte om thuis te zijn en om te reizen. Het groepje chauffeurs komt er niet uit. “Ik leef een ander leven dan mensen die op één plek vastzitten, ik voel me anders. Ik ben trots op mijn vak, daar gaat het om”, aldus Kambela. “In mijn dorp in Oost-Zaïre geven mensen me respect en komen me vragen hoe de wereld er daar uit ziet.” Het woord respect, of beter: het gebrek eraan, brengt de chauffeurs op de politie. De mening is unaniem: de politie vormt één van de grootste gevaren van de weg.

Abdulla, de chauffeur met de langste ervaring, herinnert zich hoe tot tien jaar geleden Oeganda en tot voor kort Zaïre de lastigste politieagenten hadden en hoe in Kenia de politie weigerde smeergeld aan te nemen. “Alles is nu omgekeerd. Oeganda is een vrijwel probleemloos land om in te rijden en ook in het nieuwe Congo blijven we gevrijwaard van agenten. Maar Kenia! Oh meneer, bij elke wegversperring moeten we weer 'een klein cadeau' geven. De Keniaanse politie? Het zijn dieven!”

Een dikke politie agent heeft in een hoekje van de kantine vanaf zijn barkruk stiekem zitten meeluisteren. Luidruchtig begint hij nu het gesprek te verstoren.“Waarom verklappen jullie geheimen aan een buitenlandse spion”, buldert de agent. Hij zwaait met zijn knuppel en dreigt de chauffeurs in te rekenen. Menig Keniaan schrompelt bij dergelijke intimidatie ineen en biedt excuses aan. Zo niet de chauffeurs. Ze reageren gelaten. “De politie in Afrika is overal hetzelfde”, verzucht Sikuli. “We zijn er aan gewend geraakt. Ja soms voel ik me een cowbow van Afrika.” De woede van de agent negerend, loopt hij terug naar zijn vrachtwagen.