Scheepvaartmuseum wil een glazen overkoepeling

Willem Bijleveld, de nieuwe directeur van het Amsterdams Scheepvaartmuseum, streeft naar een binnenplaats met terrassen en winkeltjes. En hij vindt het hoogtijd dat zijn staf in het voormalige 17de-eeuwse pakhuis, waar de op één na belangrijkste maritieme collectie ter wereld is ondergebracht, commercieel leert denken.

AMSTERDAM, 25 SEPT. De kamer van de nieuwe directeur van het Amsterdams Scheepvaartmuseum is smaakvol ingericht met stukken uit de collectie. Aan de wand hangen zeegezichten zoals dat van Reinier Nooms uit 1661 dat de rede van Amsterdam laat zien. In de linkerhoek van het doek ligt 's Lands Zeemagazijn, het tegenwoordige onderkomen van het museum, waar vanaf begin dit jaar de sterrekundige dr. Willem Bijleveld (1952) de scepter zwaait. Bijleveld is gearriveerd in een museum dat spannende jaren achter de rug heeft. Onder zijn voorganger H. Bakker is het als rijksmuseum verzelfstandigd en de ingebruikneming van de V.O.C.-replica heeft ertoe bijgedragen dat een groter publiek dan voorheen het museum wist te vinden.

Maar Bijleveld heeft inmiddels zijn eigen plannen ontwikkeld. Hij wil de historische binnenplaats van het voormalige 17de-eeuwse pakhuis annex marine-wapendepot met een glazen koepel overdekken. Zo zal er ruimte ontstaan voor terrassen, winkeltjes en andere commerciële activiteiten.

“Het wordt geen aanbouw, maar een transparante overkoepeling”, vertelt Bijleveld. Een vergelijkbare uitbreiding van het Amsterdamse Concertgebouw, met een aanbouw van architect Pi de Bruin, leidde eind jaren tachtig tot een golf van kritiek. Bijleveld verwacht dit keer geen protesten, omdat het gebouw zelf niet wordt aangetast.

Hoewel het museum zijn bezoekersaantal de laatste jaren zag stijgen van 89.000 in 1989 tot 206.000 in 1996 streeft Bijleveld naar een nog groter publiek: “Hiervoor is een goede marketing noodzakelijk. We moeten precies weten wat onze positie op de markt is, wat de toegevoegde waarde van ons product is en wat de producteigenschappen zijn.”

De kruistocht van Rudi Fuchs, de directeur van het Stedelijk Museum, tegen concurrentie tussen musea onderling spreekt hem dan ook niet aan. “Ieder museum is uniek, wat dat betreft is er geen concurrentie. Maar we vissen wel allemaal in dezelfde vijver. De potentiële klant heeft beperkte tijd en beperkte middelen.”

Om meer klanten te trekken zou Bijleveld kunnen kiezen voor een vergelijkbare presentatie als die van zijn oude, populaire werkplek, Madame Tussaud. Die instelling trekt jaarlijks zo'n 600.000 bezoekers. Maar Bijleveld wil het museum niet omtoveren in een historisch evenementenpaleis. Het effectbejag waarmee het leven in de zeventiende eeuw in de wassen-beeldengalerij aan de Dam wordt getoond, past niet bij een museum. “Zo populair hoeft het niet. De collectie moet niet verscholen worden achter de presentatie ervan. Wij beheren de belangrijkste maritieme collectie in Nederland en, na het Maritime Museum in het Engelse Greenwich, de tweede in de wereld. Dat erfgoed moet met respect worden gepresenteerd.”

Ook wil hij weinig weten van interactiviteit, het nieuwe toverwoord in de museumwereld. “De installatie van dure technische snufjes maakt de operationele kosten te hoog. Bovendien hebben we al een technologisch museum”, knikt hij in de richting van het kolossale, onlangs geopende Science Centre op de Coentunnel, dat vanuit het raam zichtbaar is. In de huidige presentatie vormt de bezoeker zich via een wandeling door de zalen een volledig beeld van de maritieme geschiedenis van Nederland. Dit 'doorloopmodel' is volgens Bijleveld niet meer van deze tijd. “In de zap-cultuur schakelen mensen veel sneller af.” Bijleveld overweegt een thematische benadering, waarbij bezoekers van te voren besluiten wat ze willen bekijken. “Als je naar de Bijenkorf gaat voor sokken, hoef je ook niet alle afdelingen te zien.”

Een museum dat hem na aan het hart ligt, is de nieuwe inrichting van het natuurhistorisch museum in Parijs. “Dat hele gebouw is op de schop genomen. Er is een binnenplein uitgebroken waarop open galerijen uitmonden. De collectiestukken zijn gedeeltelijk uit de vitrines gehaald en veel vrijer opgesteld.” Dergelijke open galerijen zullen bij het Scheepvaartmuseum niet kunnen worden gerealiseerd, meent Bijleveld. “Dan moet er teveel gebroken worden. Daarvoor is de sfeer van de zeventiende-eeuwse gebouw te uniek.” Maar verder is het een van Bijlevelds grote voorbeelden. “Dit instituut is erin geslaagd de van oudsher grote stoffigheidsfactor van een dergelijk museum volledig teniet te doen.”

Na directeur Bakker, die verweten werd dat hij de zaak intern had laten versloffen, wil Bijleveld verder een financiële en organisatorische herstructurering doorvoeren. Een interim-directeur stelde al financieel orde op zaken. Het tekort van bijna één miljoen gulden werd weggewerkt, dankzij het kwijtschelden van een lening van ruim acht ton door het ministerie van OCW. Bijleveld: “Dat tekort had bij de verzelfstandiging van het museum niet mogen ontstaan.” De komende vier jaar bedraagt de jaarlijkse subsidie 6,7 miljoen gulden.

“Vroeger bestond er geen enkele duidelijkheid over de geldstromen in dit museum”, betoogt hij. “Commercieel denken deden ze hier volstrekt niet. Dat is een van de dingen die ik erin wil brengen.”