Royalty

De zegeningen van het Oranjehuis breed uitmetend tegen de achtergrond van de door rampspoed geteisterde Windsor-dynastie (NRC Handelsblad, 16 september), schrijft Harry van Wijnen dat de Nederlandse regering “hoogst relevante wetgeving als de Wet financieel statuut voor het Koninklijk Huis en de wettelijke regeling van de officiële leden van het Koninklijk Huis [...] ongehinderd door een lastige oppositie of hinderlijk kritische media gemakkelijk door het parlement kon loodsen”.

Deze bewering is moeilijk staande te houden. De wettelijke regeling voor het lidmaatschap van het Koninklijk Huis kostte het kabinet-Van Agt-Wiegel heel wat hoofdbrekens. Het regeringsvoorstel behelzende dat ook de vier zonen van prinses Margriet en mr. P. van Vollenhoven tot het Koninklijk Huis zouden behoren en dus onder de ministeriële verantwoordelijkheid zouden vallen, werd in 1980 met 70 tegen 68 stemmen door de Tweede Kamer verworpen. Tot teleurstelling van prinses Juliana, die sterk hechtte aan het lidmaatschap van het Koninklijk Huis voor de kinderen uit genoemd huwelijk, omdat zij geen twee categorieën prinsen wilde.

Premier Lubbers bereikte in 1983 met de regeringsfracties van CDA en VVD het compromis dat de zonen van prinses Margriet tot het Koninklijk Huis blijven behoren, totdat prins Willem-Alexander de troon bestijgt. Wat de grondwettelijke leeftijd betreft waarop de koning het koninklijk gezag kan gaan uitoefenen, stonden regering en parlement trouwens ook lijnrecht tegenover elkaar. Die leeftijd bleef in 1981 door het amendement van de Kamerleden Patijn (PvdA) en Kappeijne van de Copello (VVD) gehandhaafd op 18 jaar, terwijl het kabinet die leeftijd graag op 21 jaar bepaald zag.

Ten slotte, de hoogte van de uitkering aan de leden van het Koninklijk Huis zorgde in oktober 1984 voor enige commotie - en niet alleen in de boulevardpers - toen uit begrotingsstukken bleek dat kroonprins Willem-Alexander, die in april 1985 18 jaar zou worden, een jaarlijks uitkering van 910.000 gulden zou gaan ontvangen. Zowel PvdA als D66 hadden ten volle begrip voor die, overigens kortstondige, opwinding.