Rendement; Goochelen met cijfers

Het aantal studenten dat aan een studie begint en het aantal dat uiteindelijk het diploma haalt: met die twee gegevens valt het rendement van een opleiding te berekenen.

DE KANS OP WERK, de mate waarin docenten hun studenten begeleiden, de stagemogelijkheden, de kwaliteit van de bibliotheek en de computers. Over studeren aan hogescholen en universiteiten mag je alles vragen. Maar vraag niet naar het 'rendement' van een studie. Want dan beland je al snel in een moeras van misleidende cijfers.

Het lijkt eenvoudig. Voor de berekening van het 'studierendement' van een opleiding volstaat één rekensom. Tel het aantal studenten dat in september van jaar X is begonnen aan een opleiding. Bekijk zes jaar later hoeveel studenten uit jaar X zijn afgestudeerd. Hoeveel procent van het eerste getal is het tweede getal? Dat cijfer - zeg: zeventig procent - is het studierendement.

Maar zo simpel is het niet. De ene faculteit komt schoorvoetend met cijfers, de andere kan ze helemaal niet leveren, maar de meeste beginnen enthousiast over van alles en nog wat: propedeuse-rendement, studieduur, studiepunten, in percentages uitgedrukte arbeidsperspectieven, financieel rendement, of het studierendement. Er is één probleem. Ze geven geen toelichting op die cijfers.

Neem de vraag die aspirant-studenten sinds de jaren tachtig steevast stellen op de open dag van een opleiding: wat zijn mijn kansen op werk als ik deze studie hier volg? 'Vijfennegentig procent van onze afgestudeerden vindt binnen drie maanden een baan', kan de voorlichter trots melden. Klinkt goed. Maar wat hij niet vermeldt, is dat gemiddeld de helft van de studenten de opleiding niet afmaakt. Van de tien studenten zullen dus hooguit 4,75 een baan vinden in dat vak.

Ook de 'gemiddelde studieduur' die opleidingen vaak aanhalen, zegt weinig. Die heeft alleen betrekking op afgestudeerde studenten en dus niet op de aantallen afhakers.

Het 'studie-rendement' op zichzelf - het percentage studenten dat de studie afmaakt - is een even schimmige graadmeter voor de kwaliteit of moeilijkheidsgraad van verschillende opleidingen. Rendementscijfers zijn pas wetenswaardig als ze met elkaar te vergelijken zijn. Daarvoor moeten faculteiten de cijfers op dezelfde manier berekenen en dat gebeurt niet. Een greep: de ene Pabo laat voor het gemak alle afgehaakte propedeuse-studenten buiten beschouwing, de andere Pabo neemt ze mee in de berekening. De ene universiteit telt voor het propedeuse-rendement alle HBO'ers mee die het propedeusejaar mogen overslaan, de andere universiteit telt ze niet mee omdat ze de cijfers op die manier niet wil opschroeven.

Om onderlinge vergelijking van het studierendement mogelijk te maken, stelde de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) een paar jaar geleden een reken-richtlijn op. Veel faculteiten negeren die standaard nog steeds. “Ze vinden het te moeilijk en dat begrijp ik wel”, zegt een woordvoerster van de VSNU. Ze somt een reeks administratieve bezwaren op: “Universiteiten hebben studenten die zijn ingeschreven bij twee studies en die dus maar bij één faculteit collegegeld betalen - die kan de tweede faculteit dus niet meetellen. Er zijn ook studenten die nooit komen opdagen en dus afvallen. Als je die meeneemt in de berekening krijg je geen waarheidsgetrouw beeld”, meent zij.

Zo neemt de economische faculteit van de Erasmus Universiteit alle uitvallers mee in de berekening van haar studierendement. “Ons rendement is dan ook zorgelijk laag”, zegt het hoofd onderwijszaken, A. Meijdam. Bij economie in Rotterdam haalt 43 procent binnen een jaar de propedeuse, 60 procent binnen twee jaar. Van die 60 procent maakt uiteindelijk 75 procent de hoofdfase af. Het studierendement is dus: 45 procent. “We trekken helaas al jaren relatief veel studenten die met de studie stoppen. We weten niet hoe dat komt”, zegt Meijdam.

De economische faculteit van de Vrije Universiteit in Amsterdam turft liever studiepunten, zegt het hoofd onderwijszaken, T. Terlouw. “Als een student na een jaar op één vak na zijn propedeuse niet heeft, dan zou hij in de propedeuse-statistieken nul procent rendement hebben”, zo verklaart hij die voorkeur. Het studierendement van de opleiding als geheel berekent zijn faculteit eigenlijk nooit. “Wel van de hoofdfase: zeventig procent haalt uiteindelijk zijn bul.” Na de propaedeuse dus.

Volgens de VSNU hebben faculteiten geen belang bij een oneerlijke of opgepoetste weergave van het studierendement. “Niemand wil ongemotiveerde studenten lokken”, zegt de voorlichter. Onzin, zegt Meijdam van de Erasmus Universiteit. “Faculteiten hebben wel degelijk belang bij goede rendementscijfers. Iedereen wil zoveel mogelijk studenten trekken. Een ingeschreven student die weinig presteert, is voor een faculteit nog altijd financieel aantrekkelijker dan een niet-ingeschreven student.”

Ook Machteld Roos, studente en voorlichtster van de economische faculteit aan de Universiteit van Amsterdam, vertelt dat universiteiten er veel voor over hebben om zoveel mogelijk studenten aan te trekken. “De UvA was altijd de grootste, maar is een paar jaar geleden ingehaald door Utrecht. Daar waren we niet blij mee.” Toch schetst zij voor schoolverlaters nooit een overdreven mooi beeld van haar studie, zegt ze. “Ik denk juist dat de sterke punten geloofwaardiger worden als je de zwakke punten erbij vertelt.”

Op HBO-niveau is het nog moeilijker aan betrouwbare rendementscijfers te komen. In tegenstelling tot de VSNU kent de HBO-raad geen richtlijn, wat de raad als “een groot probleem” beschouwt, aldus de woordvoerder. Deze maand buigt het bestuur zich over een voorstel voor een richtlijn.

Zo woedt er bij de HEAO in Groningen een interne discussie over de vraag hoe de faculteit het studierendement moet berekenen, met het oog op een nieuw voorlichtingsoffensief, vertelt A. Spanjer, hoofd van de studentenadministratie. “We zijn er gewoon nog niet uit.”

De HEAO in Breda kan alleen het studierendement van de hoofdfase berekenen, omdat alle economie-studenten (dus ook niet-HEAO'ers) hetzelfde propedeusejaar moeten doorlopen. Uitval tijdens de propedeuse rekent die HEAO dus niet mee. De Hogeschool van Amsterdam levert ook alleen het studierendement van de hoofdfase, zegt M. Kroese, hoofd van het bureau inschrijving, “maar dat melden we ook in ons jaarverslag, hoor.” En de HEAO in Arnhem heeft helemaal geen cijfers voorhanden, omdat “het computersysteem platligt”, aldus de administratie.

De Onderwijsinspectie kan er weinig mee. Noch de opleidingen, noch de visitatiecommissies die toezien op de kwaliteit van die opleidingen geven een duidelijk en vergelijkbaar beeld van het studierendement, stelt ze vast in haar rapport over de kwaliteit van het hoger onderwijs in 1996.

Volgens de onderwijswoordvoerder van de D66-fractie in de Tweede Kamer, A. Bakker, kan het zo niet langer. “Aspirant-studenten hebben recht op objectieve informatie over de studie die ze willen volgen”, vindt hij. “Bovendien worden onderwijsinstellingen gefinancierd met belastinggeld, dus ook de overheid moet de prestaties van opleidingen kunnen vergelijken op grond van duidelijke, eerlijke berekeningen.”

Hij wil dat minister Ritzen (Onderwijs) “zo snel mogelijk” een wettelijk verplichte, uniforme rekenwijze invoert. Ritzen toonde zich twee jaar geleden een voorstander van standardisering. Tot nu toe heeft hij het initiatief overgelaten aan de instellingen zelf.