Raad van Kerken toont met tentasiel verkeerde bezieling

De actie van de Raad van Kerken ten gunste van uitgeprocedeerde asielzoekers stelt de sociale en morele sensibiliteit van de politiek op de proef. Maar de Raad gaat ook niet vrijuit, vindt Gerrit Manenschijn.

De Raad van Kerken heeft in het Drentse Lheebroek een tentenkamp ingericht voor twintig 'technisch niet verwijderbare vreemdelingen', asielzoekers die helemaal uitgeprocedeerd zijn en terug moeten naar het land van herkomst maar niet terug kunnen. Dat is althans het argument van de Raad van Kerken. Staatssecretaris Schmitz (Justitie) beweert dat de twintig wel terug kunnen, maar niet willen.

Het 'niet willen' van Schmitz staat tegenover het 'niet kunnen' van de Raad. Wie heeft gelijk? Waarschijnlijk bevatten hun berichten tegenstrijdige informatie. Het is daarom zinloos een welles-nietes-discussie te beginnen. Dat is ook niet nodig, want het gaat om wat anders.

Allereerst wordt hier de politiek op haar morele sensibiliteit getoetst. De achilleshiel van het regeringsbeleid is geraakt. Economisch gaat het ons goed, maar Nederland heeft een sociale rafelrand waarop de politiek geen enkele greep lijkt te hebben. Precies daarop wordt de politiek aangesproken door acties als van dominee Hans Visser in Rotterdam en de Raad van Kerken in Lheebroek.

De sociale en morele sensibiliteit van de politiek wordt op de proef gesteld en de uitkomst is zoals te verwachten valt. De gestaalde kaders van het neokapitalisme, die tegenwoordig de markt beheersen en een beleid voorstaan om de miljonairs zoveel mogelijk binnen Nederland te houden en de asielzoekers erbuiten, worden niet geraakt, maar mensen als minister Borst en staatssecretaris Schmitz wel. Dat pleit voor hen, ze worden moreel voor vol aangezien.

Ten tweede hebben we hier te maken met een klassiek voorbeeld van burgerlijke ongehoorzaamheid. De actie is geweldloos en openlijk, wet en regels worden op hun redelijkheid getoetst, en vooral: de politiek wordt aangesproken op haar eigen principes van een democratische rechtsstaat: vrijheid, gelijkheid, solidariteit. De vraag is: hoe gaan wij, op basis van deze principes, om met de vreemdeling?

Daarop heeft de politiek geen bevredigend antwoord. De actie van de Raad legt dat bloot. Hij gaat daarbij niet op de stoel van de overheid zitten en nog minder is hij een staat in een staat. Hij spreekt de overheid en de staat aan op de principiële uitgangspunten van hun beleid en dat is exact wat een overheid van een burger met burgerzin mag verwachten.

De politiek lijkt het argumentatiemodel van de burgerlijke ongehoorzaamheid niet goed te begrijpen, maar de Raad ook niet. Als hij beweert dat het asielbeleid mensonwaardig is en dat de Raad niet boven de partijen staat maar 'ernaast', is dat niet serieus te nemen. Het verwijt van mensonwaardigheid is onbillijk, terwijl het argument van 'ernaast' een pijnlijk tekort aan staatsrechtelijke kennis verraadt.

Voorts is het model van burgerlijke ongehoorzaamheid nu veel moeilijker is toe te passen dan in de tijd toen Kees Schuyt zijn dissertatie over dat thema schreef (1972). Er was nog geen sprake van wat de filosoof Thomas Nagel later de 'fragmentatie van waarden' heeft genoemd. Er bestaan sociale waarden die onderling verschillen en soms met elkaar in strijd zijn en die toch beide ethisch verdedigbaar zijn.

In het publieke debat wordt nog onvoldoende beseft hoe ingrijpend deze observatie de argumentatie beïnvloedt. Als dat wel werd beseft, zou de Raad van Kerken niet de barmhartigheid tegenover de rechtvaardigheid hebben gesteld en evenmin - in dit geval - aan de barmhartigheid de voorrang hebben gegeven, maar zou hij zijn principe van rechtvaardigheid tegenover dat van de politiek hebben gesteld.

Dit betekent dat de discussie niet moet gaan over het evenwicht tussen rechtvaardigheid en barmhartigheid, maar over twee verschillende, onderling tegenstrijdige en toch allebei ethisch valide principes van rechtvaardigheid. Het heersende publieke begrip van rechtvaardigheid is namelijk formeel en procedureel. Algemeen wordt erkend dat dit onvermijdelijk samenhangt met het model van een sociaal contract dat ideologisch aan onze democratie ten grondslag ligt, alsmede met het structurele waardenpluralisme van een moderne samenleving.

Dat heeft tot gevolg dat de consensus een formeel karakter draagt. Dat wil zeggen, dat afgesproken wordt een procedure te volgen die als rechtvaardig kan worden beschouwd en vervolgens de uitkomst van die procedure ook, hoe die ook uitpakt ('regels zijn regels'). Dat is een waardevol principe, evenals de formele rechtsregel dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld.

De Raad van Kerken zou daar het bijbels-humane rechtvaardigheidsprincipe tegenover kunnen stellen, dat altijd op de persoon zelf en diens omstandigheden betrokken is, en daarom de slachtoffers van de bureaucratie een 'gezichtgeeft', zoals het gezin Gümüs en de Chinese en Iraanse asielzoekers. In het model van de procedurele rechtvaardigheid moet dat juist niet gebeuren, want dan wordt het moeilijk de regel toe te passen dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, daar immers geen enkel geval gelijk is aan een ander, zeker niet als het om mensen gaat.

De geseculariseerde staat heeft voor het publieke domein geen enkele andere mogelijkheid om waarden te funderen dan op de 'wil van het volk', dat is: op de parlementaire besluitvorming en op wat onder de mensen leeft. Anders gezegd: een transcendentale verankering van waarden en normen is vanuit het gezichtspunt van de geseculariseerde staat niet meer mogelijk.

Zolang dat geen conflicten oplevert blijft deze restrictieve conditie verborgen. Maar hier ligt het meest principiële geschilpunt van de Raad van Kerken met de politiek. In het boek The General Will before Rousseau, met als ondertitel: The Transformation of the Divine into the Civic toont Patrick Riley overtuigend aan dat de 'algemene wil' van Rousseau een geseculariseerde versie van de 'wil van God' is, met overname van de hoogste ethische geldigheid die aan de wil van God werd toegekend.

In het model van de geseculariseerde staat is een hoger beroep dan op de wil van het volk niet meer mogelijk. De Raad van Kerken kan dat niet aanvaarden, want als voor hem de wil van God niet meer reëel is, heeft hij zijn theologisch bestaansrecht verloren. De politiek kan zich nooit beroepen op de wil van God, maar de Raad van Kerken kan niet laten dat te doen. Dat is de onvermijdelijke consequentie van de principiële scheiding tussen kerk en staat.

Wil de Raad van Kerken politiek iets bereiken dan moet hij zich van het geseculariseerde argumentatiemodel van de publieke rechtvaardigheid bedienen. Wil hij echter aan haar identiteit als een kerkelijke raad recht doen, dan moet hij zich in zaken als deze kunnen beroepen op de wil van God. Is dat niet mogelijk, dan verliest hij zijn recht 'profetisch' te spreken. Het belangrijkste verwijt dat de Raad gemaakt kan worden is dat hij zich veel te weinig bewust lijkt te zijn van zijn bijzondere positie en zich te veel opstelt als een seculiere maatschappelijke actiegroep. Het is heel goed dat de Raad van Kerken aan de politiek lastige vragen stelt, maar aan hem kan de vraag worden voorgelegd: Raad, wat bezielt u eigenlijk? Het theologisch antwoord daarop is nog niet gegeven.