Poldersucces barst van luchtbellen

De lofzang duurde een jaartje, maar nu dringt de schaduwzijde van het poldermodel - hoge verborgen werkloosheid - ook tot het buitenland door. Maarten Schinkel over de werkelijkheid achter de mythe.

Niet alleen de economie zelf, maar ook het imago van een economie heeft een conjunctuur. Zweden veranderde na een zware recessie begin jaren negentig van een sociaal-economische modelstaat in een voorbeeld van hoe het niet moet. Het Rijnlandse model hield het vol tot de economische kater van na de Duitse hereniging. Japan was de kampioen van het georkestreerde techno-kapitalisme, tot het barsten van de luchtbel eind 1989 het land sindsdien een reputatie gaf van sociale en economische inertie. De Verenigde Staten klommen juist op van een schuldoverladen hamburger-economie, tot een rolmodel voor flexibiliteit, veerkracht en technologische voorsprong.

Geen model zonder simplificatie. Nederland heeft zich de binnen- en buitenlandse lof op zijn poldermodel steeds laten welgevallen en het kabinet-Kok maakte internationaal goede sier met het voorbeeld dat economische groei, financiële prudentie, sociale rechtvaardigheid en de creatie van werkgelegenheid uitstekend samen gaan. Dat was nu precies het Ei van Columbus waar de Europese partners al zo lang naar zochten. Voor het succes van de overlegeconomie kregen de Nederlandse 'sociale partners' vorige week in Duitsland nog de prestigieuze Carl Bertelsmann-prijs.

Hoe gaat een hype als die rond het poldermodel in zijn werk? Het is een misverstand te denken dat commentatoren, economen en analisten in het buitenland minutieus het Nederlandse beleid hebben doorgespit, om daarna aan de macro-economische cijfers af te lezen dat het inderdaad heeft gewerkt.

Het gaat andersom: de buitenwereld ziet eerst de symptomen, de prachtige economische groei, de teruglopende officiële werkloosheid en een krimpend begrotingstekort, en gaat vervolgens op zoek naar een verklaring. Zolang die blijft steken in oppervlakkige analyses, heeft de mythevorming vrij spel. Het land is het afgelopen jaar overspoeld met buitenlandse delegaties die op zoek zijn naar de Steen der Wijzen.

Sinds kort is het in binnen- en buitenland zo geroemde poldermodel echter aan erosie onderhevig. In de invloedrijke Engelstalige internationale financiële pers is frontaal de aanval geopend op het Nederlandse Wonder. De directe aanleiding voor de golf van kritiek is dat de feiten achter de symptomen van het succes eindelijk zijn onderzocht door een onafhankelijk instituut dat voldoende statuur en middelen heeft om zijn bevindingen verder te laten dragen dan de landsgrenzen.

Het McKinsey Global Institute vond als opvallendste resultaat van een onderzoek naar de Nederlandse economie dat de arbeidsparticipatie ver achter blijft bij wat de officiële werkloosheidscijfers doen vermoeden. De werkloosheid ligt hier in feite op een procent of twintig, en dat is niet anders, zo niet hoger, dan in de landen die hier komen kijken hoe het moet.

De Angelsaksische pers greep het onderzoek dankbaar aan. The Economist pikte het verhaal als eerste op: “Dutch Disappointment”. Vorige week plaatste The Wall Street Journal een stuk van de management-consultant Horringa, waarin deze wees op de inherente zwakten van de Nederlandse economie. De Financial Times volgde vorige week donderdag met een artikel onder de veelzeggende kop 'Debunking the Dutch Model'. En gisteren ging The Wall Street Journal daar weer overheen met het hoofdartikel: 'Holland Isn't Heaven'.

Telkens behelst de kritiek goeddeels een samenvatting van de bevindingen van McKinsey over de hoge inactiviteit alhier. Die constatering is allerminst nieuw. In zijn baanbrekende rapport uit 1990 ('Een werkend perspectief') wees de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid de geringe arbeidsparticipatie aan als achilleshiel van het Nederlandse bestel. Maar internationaal sijpelde dat amper door.

Bovendien blijft overeind dat de prestaties van de Nederlandse economie er de laatste jaren mogen wezen: er zijn banen gecreëerd, de economie groeit meer dan een half procent sneller dan het Europese gemiddelde en de overheidsfinanciën zijn vrijwel op orde. Het wachten is op verder onderzoek naar de feiten achter het Nederlandse Wonder.

De Financial Times gaf vorige week een eerste aanzet. Daarin werd geconstateerd dat de Nederlandse loonmatiging volgens het boekje gepaard had moeten gaan met een opwaardering van de gulden. In werkelijkheid ging het anders. Vrijwel gelijktijdig met het Akkoord van Wassenaar, waarin werknemers en werkgevers eind 1982 de basis legden voor loonmatiging en rendementsherstel, voerde het kabinet-Lubbers I een devaluatie van de gulden door ten opzichte van de mark. Door sindsdien de gulden muurvast te metselen aan de Duitse munt heeft Nederland vervolgens gedurende 15 jaar van loonmatiging nog eens een, sluipende, concurrerende devaluatie doorgevoerd.

Hier te lande is die constatering al wat ouder: MeesPierson rekende onlangs nog voor dat een gulden/mark-koers van 1 op 1 beter past bij de Nederlands-Duitse concurrentieverhouding, in plaats van de 1,12 gulden die al die tijd is vastgehouden. Toen VVD-fractieleider Bolkestein begin dit jaar dreigde Nederland uit de Economische en Monetaire Unie te houden, was de algemene conclusie in financiële kringen - ook binnen De Nederlandsche Bank - dan ook, dat de gulden, eenmaal losgekoppeld van de mark, als een raket omhoog zou schieten.

De zwaar ondergewaardeerde gulden is één verklaring voor het vroege poldersucces van begin jaren negentig, toen Nederland een Europese recessie vrijwel zonder kleerscheuren aan zich voorbij zag gaan. De de facto concurrerende devaluatie van de gulden is slechts een deel van het werkelijke poldermodel. Om de koppeling van de gulden aan de mark vast te houden, moest De Nederlandsche Bank haar rente even laag houden, en vorig jaar zelfs nog lager, dan die in Duitsland.

Het goedkope krediet, passend bij een sukkelende Duitse economie met recordwerkloosheid, heeft de al goed lopende Nederlandse economie sindsdien extra opgejaagd. Dat komt terug in de enorme stijging van Nederlandse aandelenkoersen - van achterblijvers in de jaren tachtig nu de duurste van de Westerse wereld - en vooral een luchtbel op de woningmarkt waar de prijzen nu al jaren achtereen met dubbele cijfers stijgen.

Gezinnen zijn er de afgelopen vier jaar op papier 350 miljard gulden rijker van geworden, en het papieren vermogen is met een stortbui aan extra hypotheken en leningen te gelde gemaakt. De resulterende bestedingsimpuls heeft de laatste drie jaar minstens een half procentpunt extra aan economische groei veroorzaakt. Dat is zo'n beetje de mate waarin Nederland het beter deed dan de rest van Europa.

Een concurrerende devaluatie, een noodgedwongen veel te los rentebeleid, een open kredietkraan plus een dreigende luchtbel-economie, zó kan men het Poldermodel ook samenvatten. Maar, gelukkig voor het kabinet-Kok, is dit deel van de mythe in het buitenland nog niet voldoende doorgedrongen. Daar is een tweede McKinsey voor nodig. Of een periode waarin iedereen zich opeens afvraagt waarom de Nederlandse economie het toch zo veel slechter doet dan in de rest van Europa.