Pieter Boskma, dichter in de Jordaan

Pieter Boskma is een van de ruim vijftig dichters die het aanstaande weekeinde optreden in het festival 'Dichter aan huis' in Den Haag. De dichters lezen voor in de ambiance van iemands woonkamer, waar om het uur nieuwe bezoekers komen luisteren.

De bundels van Pieter Boskma verschijnen bij In de Knipscheer en Prometheus. Festival Dichter aan Huis, Den Haag 27 en 28/9. Zondag 28/9 uitverkocht. Inl. 070-3465786.

AMSTERDAM, 25 SEPT. Hoewel de dichter Pieter Boskma (Leeuwarden, 1956) het liefst door de duinen bij Schoorl dwaalt, woont hij in de Amsterdamse binnenstad, diep in de Jordaan. Zijn bovenwoning is een toonbeeld van orde. Die strenge ordening van zijn omgeving is voor Boskma van groot belang; het schenkt hem rust. In zijn hoofd is het al een drukte van jewelste. Zijn poëzie heeft een sterke neiging tot het teugelloze.

Tot nu toe zijn er zeven bundels van Boskma verschenen; de laatste twee, Simpel heelal en In de naam, zijn kloeke bundels van over de honderd bladzijden. Hij is full-time dichter. Boskma begon op zijn dertiende met het schrijven van poëzie: “Ik schreef al gedichten voordat ik ze had gelezen. Uit Leeuwarden, waar ik geboren ben, verhuisden we naar Heiloo, ik ging kapot van heimwee. Ik miste het Friese land, de weidsheid ervan. Door te schrijven kon ik dat gemis herstellen. Ik heb nooit iets willen worden, zoals andere jongens brandweerman of kapitein. Ik was een dromer. Ik had zelfs niet de ambitie dichter te worden, dat kwam pas veel later.”

Zijn eerste gedichten waren dagboekachtige aantekeningen, verhaaltjes in gecondenseerde vorm. Met, toen al, volop natuur erin; de wind, jaargetijden, veel aandacht voor nietige zaken als een grassprietje of een bloemblad. Boskma wil de taal laten zingen. Hij maakt veelvuldig gebruik van traditionele middelen - rijm, alliteratie en enjambement -, zoals in de volgende regels uit Simpel heelal: “Weer zomer, zachte nacht aan zee,/ dan de wind terug naar het noorden,/ het traag verschieten van het groen/ naar het oker van oktober,/ naar het natzwart van november,/ naar het witte nieuwe jaar.”

Tijdens het schrijven, dat altijd met de hand gebeurt, overvalt hem een grote opgetogenheid. Boskma: “Als ik schrijf, kom ik in een staat van opwinding, eigenlijk het plezierigste van het schrijven. Ik laat me meeslepen en tegelijkertijd ben ik lucide. Zodra de pen over het papier beweegt, houdt het denken op. De cerebrale activiteit die dichten ook is, komt ofwel voor het schrijven ofwel erna. Het bewerken en redigeren van wat ik heb geschreven, neemt de meeste tijd in beslag. Wat uiteindelijk in een bundel terechtkomt is slechts eenderde van wat ik heb geschreven. Elke dag maak ik nieuwe gedichten, sommige ontstaan in tien minuten, aan andere moet ik eindeloos schaven. Als dat schaven uiteindelijk niet tot het gewenste resultaat leidt, dan kap ik ermee. Het staketsel mag niet door het gedicht heen steken.”

Pieter Boskma debuteerde in 1987 met de bundel Quest. In die tijd overheerste de hermetische poëzie van Hans Faverey en Gerrit Kouwenaar. Het werd, volgens hem en andere dichters die zich schaarden onder de naam De Maximalen, tijd voor meer 'verlangen en extase'. Boskma voelt zich verwant met dichters als Lucebert, Gorter en Roland Holst. “Het doet me pijn,' zegt hij, 'dat er tegenwoordig zo wegwerpend wordt gedaan over Roland Holst. Vooral zijn laatste gedichten vind ik schitterend. Ik ga vaak naar het Noord-Hollandse Bergen of Schoorl. Ik vind die streek de mooiste van Nederland. Dan dwaal ik door de duinen, te beginnen bij het beeld van Herman Gorter dat daar in Schoorl staat, neem mijn schrijfblok mee en na zo'n dag kom ik soms met vijf gedichten thuis. Eigenlijk zou ik een opklapbaar schrijftafeltje en dito stoeltje moeten hebben, zoals schilders die en plein air werken een opvouwbare ezel meesjouwen. Nu ga ik zomaar ergens zitten, en dan blijkt het toch weer een mierenhoop te zijn.”

In Simpel heelal heeft Boskma een episch gedicht opgenomen, 'Altijd weer dit leven', gewijd aan zijn vroeggestorven vriend en dichter Paul van der Steen. “Ik heb een voorliefde voor grote, alomvattende gedichten. De Mei van Gorter bijvoorbeeld. In het requiem voor Van der Steen verbind ik lyriek met anekdotiek, sombere beschouwingen over de dood met extatische, jubelende regels. Ofschoon dit een klaagzang is, is het ook een loflied op het leven. Ik kan me niet bij de dood neerleggen, ik wil het leven zo graag omarmen. Het gedicht eindigt in een overwinningsroes, de ik-figuur kan weer in vervoering raken van een grassprietje en heeft geleerd ”s nachts de duisternis/ te dulden en niet bang te zijn'.”