Operamausoleum

De keizer heeft helemaal geen kleren aan, en Kasper Jansen durft het nu hardop te zeggen. In zijn recensie over Salomé in het Gergjev Festival staat het: “Wat een goed en luid klinkende orkestbak heeft Rotterdam - daarmee vergeleken is de Amsterdamse akoestiek toch pure armoe” (NRC Handelsblad, 20 september).

Sinds de opening van het Muziektheater mag dit voor iedere melomaan pijnlijk duidelijk zijn: behalve het transparante geluidsbeeld valt er niets goeds over de klank van deze zaal te zeggen: het kleurloze, koude, staalharde geluid dat zich binnen de smalst denkbare dynamische grenzen moet zien te bewegen, werkt dermate nivellerend dat het Koninklijk Concertgebouworkest even goed klinkt als de Keizerlijke Kapel van Togo.

Wanneer een orkest wel enige dynamische verschillen weet te suggereren, moet het zo gespierd spelen dat de zangers niets anders rest dan het con belto non espressivo om het gevecht om het naakte hoorbaarheidsbestaan te winnen.

Niet alleen is het een kwelling voor de luisteraar, een veroordeling tot het lot van Sisyphus voor de uitvoerenden, maar ook de sterilisatie van de voedingsbodem waarop een operazangcultuur in Nederland zou kunnen onstaan. Dat een zaal en zijn akoestiek daarvoor inderdaad de moederkoek zijn, is aan de Van Baerlestraat al meer dan een eeuw bewezen.

Dat wij het na ontelbare decennia van discussie en uitstel conform het poldermodel nu met dit Nederlands Opera Mausoleum moeten stellen is een wreed spel van de Goden. Daar waar in het buitenland juwelen van operatempels aan vlammen ten prooi vallen, blijft ons grootste risico toch dat in dit overdadig betegeld land de brandpreventie ons het verlossende werk van Prometheus zal onthouden. De hoop op een aanslag zal ook wel te ijdel zijn, tenzij... Als we nou eens, bij wijze van oerhollandse oplossing, een gironummer openen ter financiering van een groots, eenmalig 'Van Speyk Herdenkingsfeest'.