Ontzagwekkend oeuvre van de haastige Rauschenberg

Robert Rauschenberg: A Retrospective. Guggenheim Museum, 1071 Fifth Avenue, bij 89th Street. T/m 7/1/1998. Guggenheim Museum SoHo, 575 Broadway, bij Prince Street. T/m 4/1 1998. Guggenheim Museum at Ace Gallery, 275 Hudson Street, bij Spring Street. T/m 9/11. Catalogus $ 75. hardcover, $ 45 paperback. Later reist de tentoonstelling naar Europa.

Het Guggenheim Museum in New York brengt een hommage aan Robert Rauschenberg, een van de meest vooraanstaande kunstenaars van Amerika en, samen met Jasper Johns, de voorloper van bijna alle kunststromingen na het Abstract Expressionisme. Rauschenberg is verantwoordelijk voor het opheffen van grenzen tussen abstracte kunst en realisme, tussen het platte vlak en driedimensionale kunst. Zijn eerste museale solo-tentoonstelling, in het Jewish Museum in New York in 1963, was baanbrekend. Het jaar daarop won hij de Grote Prijs van de Biennale in Venetië.

Robert Rauschenberg, A Retrospective in het Guggenheim Museum begint feestelijk genoeg. Boven het vijvertje op de begane grond van het Guggenheim Museum Uptown balanceert een vrolijke fiets waarvan de contouren met neon nagetrokken zijn. Chronologisch gerangschikt volgen in de Rotonde, de opgaande spiraal van het gebouw, de vroege collages en assemblages uit de jaren vijftig en zestig, en de eerste Combines, zijn combinaties van schilderijen met gevonden voorwerpen.

De bekendste combine is het mooi met quilt opgemaakte, voor de helft gepassioneerd beschilderde Bed (1955). In dit type werk gaan alle mogelijke materialen - deuren, textiel, opgezette kippen, papier, kasten, blikken, kussens, foto's, kalenders, bezems, parachutes, colaflesjes en klokken - samen met vlakken die abstract expressionistisch, in druipende verfstreken, zijn geschilderd.

Het Guggenheim Museum heeft voor de in totaal ruim vierhonderd werken - van de kleinste collages tot de op zich al 189 delen tellende installatie The 1/4 Mile of 2 Furlong Piece (een werk in progress, begonnen in 1975) - zowel het Guggenheim Uptown en het Guggenheim SoHo als ook de loodsgrote, commerciële Ace Gallery, West Village, vrijgemaakt. Rauschenberg zelf is 'schuldig' aan deze omvang. Hij wilde al vroeg 'de grens tussen kunst en leven op te heffen' en hij verklaarde ooit dat de hele Verenigde Staten te willen documenteren, 'inch by inch'.

Al vrij snel ga je in de zalen onwillekeurig een vergelijking maken met Jasper Johns, wiens carrière parallel loopt met die van Rauschenberg (Port Arthur, Texas 1925) en met wie hij zoveel gemeen heeft: het verheffen van alledaagse onderwerpen tot kunst, het gebruik van rasters bij composities, het virtuoos spelen met het materiaal door herhaling van thema's, omkeringen, spiegelingen.

Beiden streven er ook naar het kijkzintuig tot het uiterste te rekken. Maar waar Johns' werk zich ontwikkelde in de diepte, koos Rauschenberg voor de breedte. Opvallend is in dit verband hoe er vorig jaar bij de tentoonstelling in het Museum of Modern Art in New York pakken papier zijn besteed aan de analyse van Jasper Johns en zijn werk, terwijl nu theorieën over de diepere betekenis van Rauschenbergs oeuvre, ook in de kilo's wegende catalogus, ontbreken. Het overzicht van Jasper Johns voegde destijds veel toe aan de delen afzonderlijk: hoe meer je keek, hoe meer je zag. Dit overzicht van Rauschenberg doet afbreuk aan de waardering die je voor hem hebt. Hier geldt: hoe meer je ziet, hoe minder je kijkt.

Niettemin zijn de blijken van veelzijdigheid, vindingrijkheid en experimenteerlust ontzagwekkend. Naast collages, assemblages en 'combines' zijn er vele series van werken op papier, prenten in een scala van deels door hem uitgevonden druktechnieken, wand- en vrijstaande sculpturen en installaties. Er is documentatie over happenings en performances, over zijn werkzaamheden als choreograaf, over projecten met Merce Cunningham, of andere dansers, kostuum- en decorontwerpen.

In het Guggenheim SoHo zijn de bizarre en geestige 'uitvindingen' te zien, zoals Mud Muse (1986-71), een zwembad van aluminium en glas gevuld met opborrelende modder, voortgedreven door een perslucht machine die reageert op een geluidsband. Men waant zich in het vulkanische Yosemite Park zonder de zwavelstank.

Het meest herkenbare kenmerk van Rauschenbergs oeuvre is zijn virtuoze gebruik en ontwikkeling van transfertechniek, die hem in staat stelde naast driedimensionele ook tweedimensionele collages te maken. Zodoende kunnen foto's en knipsels uit kranten en tijdschriften rechtstreeks worden overgebracht - naast elkaar, over elkaar, ondersteboven; op doek, op papier, in prenten, op stoffen, op staal. Hiccups (1978) is een niet al gelukkig voorbeeld daarvan. Het werk bestaat uit 97 paneeltjes van handgemaakt papier bedrukt met kleurige transfer. Ze zijn in een willekeurige, veranderbare volgorde en in een lange rij van bijna twintig meter aan elkaar verbonden met ritssluitingen. Het totaal oogt als een handboek voor grafisch ontwerpers.

Dezelfde methode past hij toe op een serie die nu voor het eerst te zien is, de grote, recente fresco's die eruit zien als kitsch; Made in Pompeii. Vaak worden diezelfde transfer-werken rebussen, optelsommen van plaatjes. Meer dan eens werkt een realistisch beeld in een object dat verder abstract is, als een prothese die de kijker helemaal niet nodig heeft.

Behalve dat Rauschenberg alles opraapt wat in zijn atelier en op straat ligt, reist hij voor zijn experimenten ook de wereld af. Het door hemzelf gefinancierde ROCI-project (Rauschenberg Overseas Culture Interchange 1984-1991) - waarin hij met assistenten naar elf landen trok in de aardige, maar naïeve hoop door lokale samenwerking in de kunst sociale verandering te stimuleren - bracht een overvloed van werken voort die vaak het karakter hebben van souvenirs. De kijker moet er maar het mooiste, meest authentieke uitpikken als ware men op de markt in Oezbekistan.

Op dit overzicht zou je je natuurlijk ook alleen al kunnen concentreren op Rauschenbergs kwaliteiten als fotograaf. Want hij maakt prachtige, bijna abstracte foto's, zoals Untitled (1952), uit de tijd dat hij in het Black Mountain College in North Carolina studeerde, onder de Bauhaus-meester Josef Albers. Op het bovenste gedeelte ligt hijzelf geklemd tussen de rand van de opname en een streep matras, het onderste gedeelte is leeg. Jammer, dat men heeft nagelaten een link te leggen tussen de fotografie en het meer gecompliceerde werk.

Rauschenberg wil zien zoals het oog op straat ziet. En daarom wordt ook het oog van de toeschouwer voortdurend afgeleid en vermoeid, zowel van de tentoonstelling als geheel alsook van de afzonderlijke werken. Aan ontroering komt men al helemaal niet meer toe. Rauschenberg lijkt te veel haast te hebben. En daarom bereikt hij vaak niet de perfectie die grootse kunst eigen is. Een zorgvuldiger, kleinschaliger overzicht zou meer inzicht hebben geboden.