Kamerlid in zaken

TOT EIND AUGUSTUS van dit jaar leidde Hamid Houda als Tweede-Kamerlid voor de Partij van de Arbeid een onopvallend bestaan. Daarin kwam verandering nadat het televisieprogramma Nova meldde dat Houda neveninkomsten niet aan de belastingdienst had opgegeven en als gevolg daarvan ook niet was gekort op zijn inkomen als Kamerlid.

Naar aanleiding van de televisie-uitzending besloot Houda de zaak voor te leggen aan een onafhankelijke derde in de persoon van oud-president Kordes van de Algemene Rekenkamer.

De bevindingen van Kordes die gisteren openbaar werden gemaakt laten zien dat het Kamerlid 'naar de regel van de wet' niets onoorbaars heeft gedaan. Maar hiermee is dan direct ook wel alles gezegd. Het op papier aangebrachte onderscheid tussen zijn activiteiten als ondernemer en zijn Kamerlidmaatschap, heeft zich blijkens het onderzoek van Kordes in de praktijk niet voorgedaan. Houda stopte nadat hij Kamerlid was geworden als directeur van zijn eigen textielonderneming en werd grootaandeelhouder. Maar in die hoedanigheid heeft hij vele directie-activiteiten ontplooid.

Volgens de geest van de schadeloosstellingsregeling was er dan ook wel degelijk sprake van nevenaciviteiten. Houda erkent dit nu en heeft zich bereid verklaard zichzelf met terugwerkende kracht een inkomen uit de onderneming te verschaffen en dit bedrag in mindering te brengen op zijn schadeloosstelling als Tweede Kamerlid.

FORMEEL LIJKT DE zaak hiermee afgedaan. Maar de verantwoordelijkheid van een Tweede-Kamerlid gaat verder. Houda zegt dat bij het opzetten van de constructie in 1994 van kwade trouw geen sprake is geweest. De fractieleiding van de PvdA heeft deze verklaring geaccepteerd. Maar dat neemt niet weg dat Houda zich niet heeft gedragen volgens de bedoeling van de regels om de verantwoordelijkheden tussen ondernemerschap en Kamerlidmaatschap te scheiden en dat er een televisie-uitzending voor nodig was om dit aan de orde te stellen.

Het aanzien van het Kamerlid Houda - om niet te zeggen van het parlement als geheel - is door deze zaak wel degelijk geschaad. Houda had niets anders kunnen doen dan opstappen. Volksvertegenwoordigers die toch al in een glazen huis leven, moeten in dit soort kwesties elke twijfel rondom hun persoon zien te vermijden. Tevens moeten zij hun verantwoordelijkheid durven nemen. Dat is hier niet gebeurd. Het is evident dat Houda na de verkiezingen van volgend jaar niet zal terugkeren. Om de lieve vrede te bewaren gaat de PvdA-fractie noodgedwongen verder met Houda. Beter was het geweest als de partij zich van hem had gedistantieerd.

IETS HEEL ANDERS IS dat de kwestie-Houda wederom de nodige vraagtekens oproept romdom het selectieproces dat vier jaar geleden bij het opstellen van de PvdA-kandidatenlijst is toegepast. Het was toenmalig partijvoorzitter Rottenberg die vond dat de fractie grondig moest worden vernieuwd met mensen van buiten. Dat is toen ook gebeurd. Al snel volgde de affaire rond het Kamerlid Rosenblat die voortijdig moest vertrekken omdat hij de verkeerde antecedenten had opgegeven. Inmiddels bestaan er bij de PvdA de nodige twijfels over de kwaliteiten van nogal wat nieuwkomers van destijds.

Vernieuwing is een goed streven. Maar als het slechts bij de verpakking blijft zou het resultaat wel eens averechts kunnen uitwerken.