In Liefde Bloeyende

Anthonis de Roovere (ca.1430-1482)

REFEREYN AMOUREUX

Myn herte niet el dan druck besluyt

Ick vinde my selven al swaer beducht

Ick haecke tot den wint wordt zuydt

Want mijn lieffelijck lief reedt derwaerts uut

Dus coempt van daer den zoeten lucht

Mijn ooghen staen naer der coempste ter vlucht

En segghe dit woordt van wijlen eer

Daer lief daer ooghe, daer handt daer seer.

O zuyderste lucht die my beraeyt

Mijnen boesem ontdoe ick soe ick best mach

Mijn hertken is soe vele te bat ghepaeyt

Dat ick metten winde mach zijn bewaeyt

Hy coempt van daer ick hem rijden sach

Al ist van trooste een cleyn bejach

Tghesichte neempt derwaerts zijnen keer

Daer lief daer ooghe, daer handt daer seer.

Ick vanghe den windt, ick en hebs niet el

Tconfoort is cleyne dat ick hier schouwe

Maer men pleech te segghene in een spel

Een luttelken helpt den lecker wel

Diet nauwe staet, die nemet nauwe

Dus stae ick als een bedruckte vrauwe

En haecke, ken wiste wat segghen meer

Daer lief daer ooghe, daer handt daer seer.

Princhelijck Lief diemen in eeren noomt

Daer ick eens sdaechs nae te siene pooghe

Maer tis een saecke die luttel vroomt

Te sienen nae eene die niet en coomt

Dus seg ick als die tlijden dooghe

Daer handt daer seer; daer lief daer ooghe.

De late middeleeuwen, Brugge. Een liefdeslied. De dichter een metselaar: geen onbelangrijk beroep, nu niet en toen niet. Ook riepen zijn stadgenoten hem als zeventienjarige al uit tot 'prinche van rethoricke', rederijkerskampioen. Hij kent de wetten van rijm en maat, de voorschriften van structuur en woordgebruik, en toch: een minnezang. Een klacht over de afwezige geliefde. Een uitzichtloze bezwering van iemand die tlijden dooghe, die wordt vermorzeld door verdriet.

De Rooveres amoureuze refrein bevindt zich geheel binnen de omheining van de rederijkerij, met zijn rijmschema, zijn rustpunten, zijn prince en zijn stokregel Daer lief daer ooghe, daer handt daer seer waar de geliefde en de liefde is, daar is het oog; waar de hand is, daar doet het zeer. Hartepijn, boezempijn. Tegelijk is dit refrein het bewijs dat strenge vorm en intense emotie elkaar niet uitsluiten. Het gaat om een vertoon van techniek en het is lyrisch. Zo'n zuivere lyriek is schaars in de late middeleeuwen. 'Het is zelfs zo goed', schreef een geleerde een halve eeuw geleden, 'dat men geneigd zou zijn te twijfelen aan De Roovere's auteurschap.' Ja, zo kennen we de geleerdheid weer. 't Doet denken aan die reeks van mensen die beweerden dat Shakespeare soms zó knap schreef dat een man die zoiets schreef nooit Shakespeare kon heten.

Een tweede bijzonderheid is dat het vanuit de optiek van een vrouw is geschreven. De doorgaans spotzieke Brugse metselaar treedt op als kwijnende minnares. Hij lijkt dat net zo authentiek te doen als wanneer hij in een ander gedicht Pantken en Pampoeseken, twee volkse dronkelappen, ten tonele voert. Sarcastische bijgedachten ontbreken, er sluipen geen oneigenlijke elementen binnen die het tafereel verstoren. De dichter houdt zich aan één opdracht, sober en doeltreffend: een rederijker wil wel eens te veel koeien bij de horens pakken. Myn herte niet el dan druck besluyt, mijn hart omsluit niets dan verdriet, zo zet het gedicht in en zo blijft de grondtoon. Een adagio.

Waar de geliefde is, daar is het oog; waar de hand is, daar is de pijn. Het oog wil verstoffelijken wat de hand ontbeert. Wat de hand beroert is wat het oog wil vermijden. Op die thema's van tastbaarheid en vluchtigheid wordt het hele gedicht door gevarieerd. We moeten er ons bewegingen van oog en hand bij voorstellen. De vrouw verlangt naar het ogenblik dat de wind uit het zuiden gaat waaien - Want mijn lieffelijck lief reedt derwaerts uut / Dus coempt van daer den zoeten lucht - ze verlangt er zó naar dat haar ogen naer der coempste ter vlucht staan: in de aanslag dus, klaar zich onmiddellijk met het beeld van terugkomst vol te zuigen. Voorlopig kan ze zich alleen nog maar koesteren in de zuidelijke lucht. Daarvoor ontbloot ze haar borst, soe ick best mach, zoveel als ze kan. We zien op de gravure nu ook haar hand bewegen. Ze neemt iets van de 'druck' weg. Het biedt haar hartje verlichting, al is het een schrale troost. Wat er voor oog en hand letterlijk en figuurlijk overschiet is: Ick vanghe den windt. Ze heeft niets anders.

In zulke omstandigheden - als het verdriet groot is en de hoop ogenschijnlijk dood - neemt men licht zijn toevlucht tot een oude, vertrouwde wijsheid. Een woordt van wijlen eer. Een kalenderspreuk. Een troostend motto. Zo ook hier. 'Men pleegt voor de aardigheid te zeggen', houdt de vrouw zich voor, 'dat de ware smulpaap ook een kleinigheid niet versmaadt.' Ze beseft tegelijk dat het weinig helpt. Het verlangen naar alles verlaat haar niet, ken wiste wat segghen meer, wat kan ik er verder over zeggen.

Nog een laatste snik ontsnapt haar in het envoi: Prinselijk Lief, spreekt ze de Prince toe, ze vermelden je met ere, en op een dag probeer ik je zeker te zien - Maer tis een saecke die luttel vroomt / Te sienen nae eene die niet en coomt - ofwel, je hebt er verdomd weinig aan uit te kijken naar iemand die toch niet komt. Het gedicht eindigt in ontnuchterende wanhoop. Wat op het eerste gezicht een ode aan de zuidenwind lijkt is een bijna modern liedje van verlangen.