Hof dwingt Hongaren, Slowaken tot overleg Donau-dam

DEN HAAG, 25 SEPT. Het Internationale Hof van Justitie heeft geoordeeld dat Hongarije het in 1977 afgesloten verdrag met Tsjechoslowakije over de bouw van twee dammen en waterkrachtcentrales in de Donau niet eenzijdig had mogen opzeggen. Slowakije, de opvolgerstaat na de deling van Tsjechoslowakije, heeft onwettig gehandeld door het project in 1992 aan de Slowaakse kant van de Donau alleen voort te zetten.

Deze uitspraak heeft het Hof vanmorgen in Den Haag gedaan in het al jaren slepende conflict tussen de buurlanden Hongarije en Slowakije over het zogeheten Gabcikovo-Nagymaros-project. Hongarije had in 1989 onder druk van de milieubeweging het werk aan de dam en waterkrachtcentrale bij Nagymaros, aan de Hongaarse kant van de Donau, stopgezet. In 1992 zegde Hongarije het verdrag op, uit vrees voor de gevolgen voor het milieu en de watervoorziening. De Slowaken besloten vervolgens via een kanaal de Donau, de grens tussen de beide landen, om te leiden naar de Gabcikovo-waterkrachtcentrale op Slowaaks grondgebied.

Het Hof droeg Hongarije en Slowakije op te goeder trouw te onderhandelen over een vorm van gezamenlijk beheer over de dam in Gabcikovo, volgens de uitgangspunten van het verdrag in 1997. Bovendien oordeelde het Hof dat de landen elkaar moeten compenseren voor de schade die zij door hun gedrag hebben aangericht. Het Hof suggereert dat in een bredere overeenkomst de financiële claims van beide landen tegen elkaar kunnen worden weggestreept.

Het belangrijkste gevolg van de uitspraak is dat de buurlanden nu gedwongen zijn terug te keren naar de onderhandelingstafel, met voor het eerst als uitgangspunt dat zij beiden fout hebben gehandeld. (Reuter)