Fonds; De worst van Ritzen

Hogescholen en universiteiten kunnen geld krijgen om het onderwijs te verbeteren. Het resultaat: meer begeleiding, meer computers, meer (bij)scholing van docenten.

'ZIJN JULLIE ALLEMAAL nog een beetje bij met het hoorcollege statistiek?”, vraagt studentenbegeleider Denny Borsboom (23) aan de eerstejaars studenten psychologie. In werkgroep 9 wordt gemord. “Die docent gaat wel erg snel, hè”, zegt Len van de Rijst (20). “Bovendien is hij onoverzichtelijk. Eerst behandelt hij iets en daarna zegt hij: maar dat is niet belangrijk.”

In de werkgroep ontstaat discussie over de kwaliteit van de docent. Ook Tessa Harts (17) heeft “bepaalde dingen uit het hoorcollege toch niet helemaal gesnapt. Daarom vind ik het wel fijn dat we wat meer contacturen hebben en dat statistiek hier ook wordt behandeld.”

De faculteit psychologie aan de Universiteit van Amsterdam heeft vorig jaar in de propedeuse extra werkgroepen ingevoerd. Tien studentenbegeleiders moeten ervoor zorgen dat de 380 eerstejaars op tempo blijven en de stof uit de hoorcolleges begrijpen. De werkgroepen worden betaald met geld uit een fonds dat minister Ritzen heeft opgezet om het hoger onderwijs te verbeteren: het studeerbaarheidsfonds.

Kwaliteitsverbetering van het onderwijs is de worst die Ritzen de studenten al jarenlang voorhoudt. Studenten zijn de afgelopen jaren onder druk gezet om sneller te studeren (de prestatiebeurs). Het collegegeld is met 500 gulden verhoogd. In ruil daarvoor, zo heeft de minister beloofd, kunnen studenten meer waar voor hun geld krijgen. Met het fonds voor beter onderwijs probeert Ritzen deze belofte gestand te doen.

De 500 miljoen uit het fonds zijn bestemd voor projecten waarmee hogescholen en universiteiten de 'studeerbaarheid' van hun onderwijs verbeteren. Dat wil zeggen: allerlei praktische belemmeringen in de studie wegnemen zodat studenten in dezelfde tijd meer kunnen doen. Dat gebeurt onder meer door studenten intensievere begeleiding te bieden, het gebruik van computers in het onderwijs te stimuleren en docenten (bij) te scholen. Om hiervoor geld te krijgen, moeten de instellingen eerst door een procedurele jungle heen. Van de 500 miljoen gulden uit het fonds is voor elke instelling een vast bedrag bestemd. Dat geld valt in een tijdbestek van drie jaar te 'verdienen' door de juiste projectvoorstellen in te dienen.

Eerstejaars psychologie Len van de Rijst is blij met de extra begeleiding. “Psycho-fysiologie vind ik erg moeilijk. Ik hoop dat er hier een paar breinen in de groep zitten zodat ik het wat beter ga snappen. Zo'n werkgroep is ook kleinschaliger, je stelt sneller vragen.”

Maar werkt het nieuwe systeem de verschoolsing niet in de hand? Studentenbegeleider Borsboom: “Dat risico is er inderdaad. Vorig jaar hadden wij onderling wel discussies: dit is toch een universiteit, studenten zijn toch geen kleuters?” Collega Christine Leget vult aan: “Je kunt ze op eigen kracht wel zelfstandig laten worden, maar dat kost ze al snel een jaar extra. En die tijd hebben ze niet, nu ze nog maar een beurs krijgen voor vier jaar.”

De nieuwe werkgroepen hadden vorig jaar te kampen met de nodige kinderziekten. Het programma was te strak gepland, alles werd te veel van bovenaf opgelegd, de faculteit wilde te veel problemen tegelijk aanpakken. Na twee maanden gooiden de studentenbegeleiders het programma radicaal om. Sindsdien gaat het goed. Dertig procent van de eerstejaars haalde vorig jaar de propedeuse binnen één jaar, tegenover zestien procent in het jaar daarvoor.

Hogescholen en universiteiten hebben de nodige kritiek op het fonds. Ze beschouwen het als een sigaar uit eigen doos: het geld is weggehaald uit een potje dat was bedoeld om problemen met wachtgelden op te vangen. Professor W. Wijnen, voorzitter van de commissie die de aanvragen voor geld uit het fonds beoordeelt, kan zich voorstellen dat instellingen kritiek hebben, vooral wanneer hun aanvragen worden afgewezen. “Er zijn verzoeken ingediend die te weinig met het onderwijs zelf te maken hadden”, zegt Wijnen. “Een instelling zei bijvoorbeeld: wij hebben vijftig pc's nodig voor een computerzaal en dat kost zoveel. Maar als er dan niet bijstond hoe men die computers in het onderwijs ging gebruiken, hebben wij de minister geadviseerd geen geld toe te kennen.”

Ruwweg twintig procent van de 2.500 voorstellen is de afgelopen twee jaar afgewezen. Wijnen: “En er is geld toegekend aan projecten waarvan je achteraf misschien kunt zeggen: ho ho, was dat wel de bedoeling? Als die instellingen straks niet aan de onderwijsinspectie kunnen duidelijk maken dat het geld is besteed aan zaken waarvoor het was toegekend, dan lopen ze de kans dat ze het moeten teruggeven.”

Het is Wijnen meegevallen dat tachtig procent van de plannen wél voldeed aan de eisen voor studeerbaarheid. “Ondanks alle kritiek is er de afgelopen twee jaar veel in beweging gekomen. Het studeerbaarheidsfonds heeft heel wat pennen in beweging gebracht om het onderwijs te verbeteren.”

Dat was nodig ook. Bij de universiteiten had onderwijs zelden de hoogste prioriteit. Wijnen: “Niet voor niets spreekt men daar van onderwijslast en onderzoeksruimte. Bij de universiteiten heeft het altijd gedraaid om onderzoek en publiceren. Daarom is het een goede zaak als een faculteit nu zegt: wij geven alle docenten een training 'Hoe leid ik een werkgroep?'. Je kunt mensen natuurlijk nooit voor 180 procent omturnen, maar je kunt ze wel een aantal elementaire tips geven: zorg dat je achterin de zaal te horen bent, ga niet recht voor het bord staan als je iets opschrijft. Het is inderdaad vreemd dat ze dat niet allang weten, maar universitaire docenten is nooit geleerd te onderwijzen.”

In het HBO schort er het nodige aan de kwaliteiten van praktijkdocenten die vaak zelf te weinig praktijkervaring hebben. De theoretische onderbouwing van veel beroepsopleidingen laat te wensen over. De organisatie van het onderwijs is vaak gedateerd. Sommige opleidingen werken nog met een jaarsysteem in plaats van een trimestersysteem. Wat betreft faciliteiten (studieplekken, bibliotheken) lopen veel hogescholen sterk achter bij de universiteiten.

De Landelijke Studenten Vakbond (LSVb) is gematigd positief over de onderwijsvernieuwing. “De projecten voor studiebegeleiding worden over het algemeen goed gewaardeerd door de studenten”, zegt voorzitter Larissa Pans, “maar heel slecht is het gegaan met het betrekken van de studenten bij de plannen. Meestal mochten ze pas achteraf hun goedkeuring geven.”

Een voorbeeld daarvan is de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden (NHL). De commissie-Wijnen stelde afgelopen juni, in haar adviezen aan minister Ritzen, dat de NHL te weinig oor heeft voor studenten bij het opzetten van projecten. Voor Marcel Smilde, vijfdejaars NHL-student overheidsmanagement en vice-voorzitter van de medezeggenschapsraad, is het een permanente bron van ergernis. “Het college van bestuur vindt het wel voldoende om hun projecten een paar dagen voor de vergadering voor te leggen aan de medezeggenschapsraad. Zodat je te weinig tijd hebt om ze allemaal inhoudelijk door te lichten. Het is vechten tegen de bierkaai, zodat sommige studenten in de raad na verloop van tijd zeggen: doe maar, het zal mij een rotzorg zijn. Wij willen betrokken worden bij het bedenken van die plannen.”

Bij de NHL, die recht heeft op ruim 9 miljoen uit het studeerbaarheidsfonds, komt ook nog een ander manco van het huidige systeem bovendrijven. De uitvoering van ettelijke projecten die de commissie-Wijnen heeft goedgekeurd en waarvoor ook geld is toegekend, wordt eindeloos opgeschort. Andere projecten dreigen in gewijzigde vorm te worden uitgevoerd. Zo ligt het onderdeel 'curriculum-ontwikkeling' bij de lerarenopleiding al een jaar stil. Vóór 1 mei 1998 zal het in gewijzigde vorm ingediend worden, aldus een beleidsmedewerkster.

Een projectgroep van de NHL constateerde in een intern memo van 21 mei dit jaar dat er op wel meer fronten zand in de machine was geraakt. Zo lagen bij de faculteit onderwijs twee projecten nog altijd op de plank: 'Actief en zelfstandig leren' (waarvoor 72.000 gulden was toegekend) en de 'implementatie van het onderwijsconcept' (met 460.000 gulden bedeeld). Bij de faculteit techniek, economie & management constateerde men dat het grootste deel van het project 'verbetering aantrekkelijkheid technische opleidingen' nog altijd in het vet lag. De projectgroep had hiervoor echter enkele sluwe oplossingen in petto, waarvan de derde letterlijk luidde: 'Het project via een zorgvuldige procedure herdefiniëren en dat 'nieuwe' project uitvoeren, in de hoop dat de accountant dit (achteraf) goedkeurt.'

Professor Wijnen kan maar beter goed laten controleren hoe het geld wordt besteed, om te voorkomen dat zulk gesjoemel door het woud van procedures aan het zicht wordt onttrokken.