Een milieuruil tussen de Eerste en Derde Wereld; Megawatts hier tegen bomen daar

Westerse landen compenseren hun CO2-uitstoot met de aanplant van bossen in de Derde Wereld. Een boom is daar goedkoper neer te zetten dan binnen hun eigen grenzen. Dat wordt door sommige landen neokolonialisme genoemd, maar niet door Oeganda, waar de Nederlandse elektriciteitsbedrijven hun herbebossingsproject hebben. Daar zijn weer andere problemen: boeren die de bomen ongeveer net zo snel kappen als ze worden aangeplant.

Het is vier uur in de middag als een zware tropische bui zich ontlaadt boven oostelijk Oeganda dichtbij de Keniaanse grens. Het begin van de regentijd gaat zelfs gepaard met forse hagelstenen, die als trommelvuur neerkletteren op de golfplaten daken van het dorp aan de voet van Mount Elgon, een uitgedoofde vulkaan die tot 4.300 meter boven de zeespiegel reikt. De bewoners zijn hun ronde lemen hutten ingevlucht of wachten onder povere afdakjes tot de lucht weer opklaart. Anderen staan dicht opeengepakt voor de toonbank van het enige winkeltje dat de nederzetting telt.

Tussen de zwarte autochtonen en hun uitgebreide kinderschaar zijn vandaag enkele blanken te bespeuren, afkomstig uit Nederland en afgezanten van een organisatie die herbebossing in Derde-Wereldlanden nastreeft. Mount Elgon, een nationaal park van 1147 vierkante kilometer, was het doel van hun reis, omdat zich hier een overblijfsel van het Oegandese regenwoud bevindt. Niet meer dan een snipper van wat er ooit aan weelderig tropenbos is geweest, maar voor uitbreiding vatbaar en daar wordt sinds drie jaar hard aan gewerkt.

De bewuste organisatie is een stichting genaamd Face, afkorting van Forests Absorbing Carbondioxide Emission en opgericht door de gezamenlijke Nederlandse elektriciteits-productiebedrijven. Carbondioxide is de Engelse term voor kooldioxide oftewel CO2, het voornaamste broeikasgas, dat vrijkomt bij de verbranding van fossiele brandstoffen als aardolie, steenkool en aardgas. De massale uitstoot van CO2 (en andere gassen) op wereldschaal wordt verantwoordelijk geacht voor een klimaatverandering die desastreuze gevolgen voor het leven op aarde zou kunnen hebben.

Vermindering van de emissies is het aangewezen middel om de gevaren af te wenden of althans te verkleinen. Daarnaast geldt (her)bebossing als aanvullende mogelijkheid om het onheilspellende broeikaseffect te temperen. Bossen immers bezitten het vermogen om kooldioxide te binden, vast te leggen dan wel te absorberen. Dus hoe groter het oppervlak aan geboomte, hoe minder CO2 er in de atmosfeer terecht komt. Die weg zijn destijds, eind 1990, de Nederlandse stroomproducenten ingeslagen. Samen verantwoordelijk voor een kwart van de Nederlandse CO2-vracht kwamen ze vrijwillig, maar wel op verzoek van de regering, op de proppen met Face en trokken ze honderden miljoenen uit om het werk van die stichting te financieren. Overigens een kleinigheid vergeleken met andere investeringen, omgerekend slechts enkele kwartjes per maand per huishouden, want het is de consument die uiteindelijk betaalt.

Centrale doelstelling van wat voorlopig nog een proefproject heet, is het compenseren van de hoeveelheid kooldioxide die een kolencentrale van 600 megawatt de lucht inspuit. Dat komt neer op de aanplant van 150.000 hectare nieuw bos, waar ook ter wereld. Face koos in de loop der jaren een reeks locaties, voornamelijk in ontwikkelingslanden, zoals Oeganda, Maleisië en Ecuador. Ook het noorden van Tsjechië, zwaar getroffen door verzuring, is het toneel van herbebossing en verder wordt op eigen vaderlandse bodem geplant.

Toch ligt er een sterke klemtoon op de Derde Wereld, wat in eerste instantie een puur financiële achtergrond heeft. Ver over de grens, speciaal in de tropen, blijkt de Nederlandse gulden, besteed aan het milieu, veel meer effect te sorteren dan dicht bij huis. Of andersom geformuleerd: in Nederland kost herbebossing elf gulden per vastgelegde ton CO2, in Tsjechië vijf gulden, in Maleisië één gulden en in Oeganda slechts vijftig cent. Die prijsverschillen hebben vooral te maken met de aanzienlijk lagere loonkosten alsook met de lagere grondprijzen in ontwikkelingslanden. Daar komt bij dat tropische bomen meer kooldioxide binden dan bijvoorbeeld sparren en dennen.

Voorzitter van Face is voormalig milieuminister Ed Nijpels, die aan de voet van de Oegandese Mount Elgon, waar het gelijknamige nationale park begint, hoog opgeeft van de gunstige neveneffecten van de activiteiten die zijn stichting ontplooit. “In feite slaan we drie vliegen in één klap”, is zijn geestdriftig commentaar. “We vangen niet alleen CO2 af, maar dragen ook bij aan het ecologisch herstel in dit land en proberen de mensen die hier in de buurt wonen, een duurzame bron van inkomsten te verschaffen.”

Of de elektriciteitswereld via Face hiermee tot in lengte van dagen zal doorgaan, is echter nog de vraag. Het compenseren van CO2-uitstoot door herbebossing is officieel aangemeld als een vorm van joint implementation in het kader van het mondiale klimaatverdrag, dat vijf jaar geleden op de grote milieu- en ontwikkelingsconferentie in Rio de Janeiro werd gelanceerd. Joint implementation betekent dat twee landen, bijvoorbeeld een rijke Westerse staat en een ontwikkelingsland, samenwerken in de strijd tegen het broeikaseffect. De één betaalt en de ander voert uit. Daarbij is van groot belang in hoeverre elk van beide landen de milieuwinst die na het jaar 2000 wordt geboekt, van zijn nationale vervuilingsrekening mag aftrekken. De verdeling van de credits, heet dat in ambtelijk jargon. Hierover moet eind dit jaar een beslissing vallen op een internationale conferentie in het Japanse Kyoto.

Voor de elektriciteitsproducenten is Kyoto cruciaal, mede in verband met hun voorgenomen fusie op 31 maart volgend jaar tot één grootschalig en landelijk productiebedrijf dat marktgericht opereert. Nijpels: “Daarom moet Kyoto ten minste uitzicht bieden op creditering. Gebeurt dat niet, dan wordt het voor de stroomproducenten bijzonder lastig om Face en dus herbebossing te blijven financieren. Maar voorlopig ga ik ervan uit dat het wèl gebeurt en hoe de discussie ook afloopt, Face zal te allen tijde aan zijn lopende verplichtingen voldoen.”

Toch kan dit onderwerp in Kyoto tot verwikkelingen leiden, omdat hierover in de Derde Wereld bepaald geen eenstemmigheid heerst. Sommige ontwikkelingslanden beschouwen joint implementation als een vorm van neokolonialisme in de specifieke gedaante van eco-kolonialisme. Ze verwijten de Westerse wereld een handel in 'aflaten' om de eigen vervuiling voor een spotprijs af te kopen en vrezen later, als de krenten uit de pap zijn gehaald en het op werkelijk hoge milieu-investeringen aankomt, zonder steun van buitenaf voor de lasten te moeten opdraaien.

Oeganda (19 miljoen inwoners, zeven keer zo groot als Nederland) behoort zeker niet tot die groep van critici. Hier is elke gulden, euro of dollar welkom na alle ellende tussen 1971 en 1986, toen het land onder Idi Amin en Milton Obote bekend stond als het 'slachthuis van Afrika' en de nationale economie een formidabele duikvlucht maakte. Ondanks een gemiddelde economische groei van 6,7 procent (een van de hoogste in Afrika) heeft het land nog vijf jaar te gaan om weer op het peil van 1970 te belanden. Het merendeel van de bewoners leeft onder de armoedegrens. Anders dan in het naburige Kenia is toerisme, eventueel eco-toerisme, hier nauwelijks van de grond gekomen. Per jaar gaat er in deze branche slechts zes tot zeven miljoen dollar om.

Sinds 1986 is Yoweri Kaguta Museveni president van Oeganda, dat zich onder zijn licht-despotische en partijloze bewind ontwikkelde tot een eiland van politieke rust in een uiterst roerige regio. Maar dat is wel een betrekkelijke rust. Nog wekelijks vallen er doden bij opstanden, vooral in het noorden, waar het bizarre 'Verzetsleger van de Heer' al jaren strijd voert tegen de regering in de hoofdstad Kampala. En volgens recente krantenberichten ligt Obote, die als banneling in Kenia leeft, op de loer om in het centrum van de macht terug te keren.

Behalve economisch is Oeganda ook ecologisch schrikbarend achteruitgegaan, een proces dat al veel eerder begon en nog altijd doorgaat. Van het rijk gesorteerde tropisch regenwoud, dat ooit een aanzienlijk deel van Oeganda bedekte, is nog maar zes à zeven procent over, verspreide relicten die inmiddels de beschermende status van nationaal park verwierven. Ze staan echter onder druk van een voortgaande bevolkingsgroei, die zich uit in een nauwelijks te stillen honger naar landbouwgrond. Om de behoefte aan bananen, maïs, tarwe, koffie en ananas te bevredigen, wordt nog regelmatig het systeem van slash and burn toegepast: bomen kappen en verbranden, zodat er akkers overblijven.

Tegen die zwerflandbouw wil de Oegandese regering een dam opwerpen door collaborative management. Dat wil zeggen: de autoriteiten proberen de lokale bevolking bij het beheer van de nog resterende bossen te betrekken en de bewoners van aangrenzende zones duidelijk te maken dat behoud van het woud niet alleen luipaard, wild zwijn, diverse apensoorten en een menigte vogels ten goede komt, maar op langere termijn ook hun eigen belangen dient. Een van de argumenten luidt dat verdere ontbossing plaatselijk tot ernstige droogte leidt, waardoor de kans op hongersnood toeneemt.

Daarnaast wordt elke vorm van buitenlandse, vooral financiële hulp met vreugde begroet. Zo kostte het Face geen enkele moeite hier een geschikte contractpartner te vinden. Dat werd de UWA, de Uganda Wildlife Authority, die deel uitmaakt van het ministerie van Toerisme, Natuurbeheer en Oudheden. Samen kozen ze twee locaties voor een herbebossingsprogramma, één in het nationale park Kibale in het westen des lands en één op de flanken van de Mount Elgon in het oosten, bij elkaar een oppervlak van 27.000 hectare.

Mount Elgon is te bereiken via een onverharde weg, die in de regentijd, als de rood-bruine aarde in modder verandert, een wagen met four wheel drive vereist. Maar de moeite wordt ruimschoots beloond: hier vindt men nog vrijwel ongerepte natuur.

Een bezoek aan het Face-project ter plaatse leert dat de nieuwe aanplant bestaat uit circa tien inheemse soorten, waarvan de zaden in het oerbos worden verzameld. Op een speciale kwekerij groeien ze uit tot kiemplanten, die later tussen of naast de bestaande begroeiing tot volle wasdom komen. Sinds 1994 zijn 800.000 boompjes uitgezet. De kwekerij biedt werk aan ruim dertig mannen en vrouwen in blauwe overalls, die gemiddeld per dag (van 's ochtens acht tot 's middags twee) het Oegandese equivalent van drie gulden verdienen, iets meer dan het nationale minimumloon. Bedrijfsleider Stephen Batya noemt de animo voor uiteenlopende karweien als stekken, begieten en uitpoten overweldigend: “Het loopt hier storm als we weer iemand nodig hebben.” Geen wonder, want de werkloosheid in de omringende dorpen, die samen 50.000 zielen tellen, is van een schrijnende hoogte.

Maar in diezelfde dorpen heerst ook aversie tegen strikte bescherming van het tropisch woud. Terwijl de samenwerking tussen de Oegandese UWA en het Nederlandse Face volgens beide partijen op rolletjes loopt, is die met de lokale boeren zacht gezegd voor verbetering vatbaar. Een man als projectleider James Okonya rept van “incidenten” die het welslagen van herbebossing in de weg staan, en Chris Oryema, rentmeester van het nationale park, klaagt over koeien en geiten die de jonge aanplant opvreten. Nog altijd, zo blijkt uit diverse gesprekken, trekken dorpsbewoners het reservaat in om brandhout voor hun oventjes te kappen en als het even kan, laten ze hun dieren tussen de bomen grazen: een geliefde plek, die bovendien bescherming biedt tegen georganiseerde veedieven uit Kenia.

Collaborative management terwille van de natuur heeft bij Mount Elgon dus nog onvoldoende wortel geschoten en alle officials zijn het erover eens dat de bevolking pas tot zo'n inspanning te bewegen is als haar huishoudelijke en agrarische behoeften anderszins worden bevredigd. Vandaar dat er, parallel aan de bescherming van flora en fauna en met hulp van de Noorse regering, een programma is opgezet ten behoeve van de menselijke bewoners.

In het dorp op de grens van het reservaat, waar die middag regen en hagel zo overvloedig neerdalen, geeft Oryema de nodige bijzonderheden. De boeren krijgen onderricht in de zegeningen van vruchtwisseling en bemesting en er wordt een nieuw ras koeien gefokt die meer melk of beter vlees opleveren, iets waar men rechtstreeks baat bij heeft. Koeien, geiten en ezels moeten op stal blijven of minstens vastzitten aan een touw om uitzwermen naar het bos te voorkomen. Een vrij eenvoudige voorziening bestaat uit bakstenen fornuisjes die met een derde minder brandhout toe kunnen, zodat de drang om brandhout te kappen vanzelf met een derde vermindert.

Toch is nog lang niet alle wantrouwen verdwenen. In het desbetreffende dorp doet bijna de helft van de boeren aan het programma mee; 55 procent kijkt de kat uit de nog altijd begeerde boom. Herbebossingsambtenaar Edward Onenarach ziet niettemin licht gloren: “De problemen worden gaandeweg minder, het aantal grensincidenten neemt af.” En onze eigen Edward Nijpels: “Hier zie je weer de geweldige betekenis van kennisoverdracht. Als de mensen weten waar het om gaat en beseffen dat op den duur ook hun privébelang is gediend, zijn ze ook meer tot medewerking bereid. Althans, daar blijf ik in geloven.”

Terug in Kampala valt een aanmerkelijk somberder geluid te horen, ook uit de mond van een Nederlander. Chris van Vught, al dertig jaar werkzaam in Afrika en 'sectorspecialist plattelandsontwikkeling' op de Nederlandse ambassade, schudt zijn hoofd: “Gezamenlijk bosbeheer, met de bevolking? In Nepal is het er inderdaad van gekomen, maar in Oeganda wil het nog niet lukken. Sinds de Tweede Wereldoorlog is hier zestig à zeventig procent van het oorspronkelijke bos verdwenen en de kaalslag heeft nog geen eind genomen. Alle herbebossing ten spijt blijft het saldo negatief. Als het zo doorgaat, voorzie ik over twintig jaar een crisis in de houtvoorziening.”

Stropdas op (wit) overhemd is de aanbevolen dracht voor de laatste bespreking in Kampala. De Nederlandse delegatie - exclusief Nijpels, die eerder terug moest - wordt ontvangen door de Oegandese minister van Toerisme, Natuurbeheer en Oudheden, generaal Moses Ali. Een indrukwekkende gestalte, die zelf een open kaki hemd draagt, maar dat is een onbeduidend detail vergeleken bij het fiasco waar deze ontmoeting inhoudelijk op uitdraait. Een minister, dat biedt de mogelijkheid voor politieke vragen, zou men denken. Maar Moses Ali blijkt, ondanks influisteringen door een ambtenaar, nauwelijks te weten waar het om gaat, behalve om boompjes planten. Hij verwart het broeikasprobleem met de slijtende ozonlaag en heeft van joint implementation of eco-kolonialisme niet meer dan een flauwe notie.

Jammer, maar geen ramp. Het is niet deze bewindsman die Oeganda straks op de klimaatconferentie in Kyoto vertegenwoordigt, maar zijn collega van Natuurlijke Hulpbronnen. Een minister die beter op de hoogte is en die in Kyoto zeker vóór zal stemmen: voor de mogelijkheid om de milieuwinst door herbebossing als vrucht van Oegandees-Nederlandse samenwerking op beider conto af te boeken.