De Donau-kwestie raakt het nationale prestige

Tsjechoslowakije en Hongarije besloten in 1977 de Donau beter bevaarbaar te maken, overstromingen tegen te gaan en energie op te wekken voor de zware industrie. De buurland ruziën intussen al jaren over de uitvoering van het project, dat volgens velen een monument is van communistische grootheidswaan.

BOEDAPEST, 25 SEPT. Het conflict over het Gabcikovo-Nagymaros project, waarover het Internationale Hof van Justitie in Den Haag vanmorgen uitspraak heeft gedaan, is een overblijfsel uit de communistische tijd. Het hangt tot op heden als een schaduw over de verhouding tussen de buurlanden Hongarije en Slowakije. Met zijn uitspraak heeft het Hof vanmorgen beide landen een deel van de schuld toegewezen.

Hongarije en het toenmalige Tsjechoslowakije sloten in 1977 een verdrag om twee dammen aan te leggen in de Donau, die de grens vormt tussen de twee landen. De Tsjechoslowaken zouden een dam en een waterkrachtcentrale bouwen bij Gabcikovo, veertig kilometer ten zuidoosten van Bratislava. De tweede dam en waterkrachtcentrale moesten aan de Hongaarse kant bij Nagymaros worden aangelegd, 150 kilometer verder stroomafwaarts in de zogeheten “Donaubocht” ten noorden van Boedapest.

De bedoeling van het project was de Donau beter bevaarbaar te maken, overstromingen tegen te gaan en energie op te wekken voor de zware industrie. Onder aansporing van de eerste milieubeweging van betekenis in Midden- en Oost-Europa, Duna Kör, begon de Hongaarse bevolking zich al in het midden van de jaren tachtig tegen het project te verzetten. Veel Hongaren vreesden voor de milieu-effecten van het mega-project. In de ogen van de oppositie was het een monument van communistische grootheidswaan. In 1989, in de nadagen van het communistisch bewind, protesteerden 70.000 Hongaren voor het parlement in Boedapest tegen het Gabcikovo-Nagymaros-plan.

De eerste democratisch gekozen regering in Hongarije zegde in 1992 het vijftien jaar oude verdrag met inmiddels in ontbinding verkerende Tsjechoslowakije eenzijdig op. Als belangrijkste redenen noemden de Hongaren de schadelijke gevolgen voor het milieu en de watervoorziening. Eerder hadden de Slowaken geweigerd het werk uit te stellen en meer tijd uit te trekken voor wetenschappelijk onderzoek naar de gevolgen van de bouw van de waterkrachtcentrales. Volgens de Slowaken was een eerdere studie naar de milieugevolgen voldoende en konden eventuele negatieve effecten met een aantal technische maatregelen worden opgevangen.

De Slowaken besloten door te gaan met hun deel van project, de zogeheten “variant C”. In oktober 1992 begon Tsjechoslowakije met de omleiding van de Donau via een 17 kilometer lang kanaal naar de waterkrachtcentrale bij Gabcikovo. De investering bedroeg 2,5 miljard dollar, en de centrale levert inmiddels tien procent van de elektriciteit van het land. Volgens de Hongaren zijn aan hun kant van de Donau hun ergste voorspellingen uitgekomen. Het natuurgebied Szigetköz heeft volgens Hongarije zwaar te lijden onder de omleiding van de Donau. Voormalige rivierbeddingen zijn drooggevallen, de visstand is aangetast en het waterpeil in dorpen en landbouwgebieden is gezakt. Slowakije ontkent deze aantijgingen en meent dat de Hongaren overdrijven.

De partijen legden het conflict in 1994 voor aan het Internationaal Hof van Justitie in Den Haag. In maart dit jaar had de mondelinge zitting plaats, en de rechters van het Hof bezochten beide oevers van de Donau om met eigen ogen de gevolgen van het project te zien. De vragen die het Hof moest beantwoorden was of Hongarije het recht had om het verdrag uit 1977 eenzijdig op te zeggen, en of Slowakije vervolgens het project op eigen houtje mocht voortzetten en de Donau mocht omleiden. Hongarije betoogde dat “Variant C” in strijd is met het verdrag van 1977, en dat Slowakije illegaal de Hongaarse rechten op het water van de Donau heeft geschonden. De Slowaken zijn van mening dat het verdrag het 1977 nog steeds geldig is, en dat Hongarije zijn deel van het project bij Nagymaros alsnog moet uitvoeren. Slowakije eiste bovendien schadevergoeding voor de vermeende Hongaarse contractbreuk.

Het slepende Gabcikovo-Nagymaros-drama is voor beide partijen meer dan een technisch of diplomatiek conflict. Het is ook een zaak van symboliek en nationaal prestige. De Hongaren putten er hun trots uit over de gewonnen strijd van het volk tegen de communistische megalomanie. Voor de Slowaken is Gabcikovo een bewijs dat de jonge natie, die op 1 januari 1993 na de scheiding van Tsjechië onafhankelijk werd, tot grote prestaties in staat is.

De uitspraak van het Internationale Hof van Justitie houdt het midden in het conflict: Hongarije had het verdrag uit 1977 niet eenzijdig mogen opzeggen, en Slowakije had in 1992 niet alleen mogen doorgaan met Variant C. De partijen hebben zich tevoren bereid verklaard om na het oordeel uit Den Haag in zes maanden tijd hun geschil bij te leggen. Maar hoe het oordeel van het Hof ook zou uitvallen, het komt op een moeilijk moment in de Hongaars-Slowaakse betrekkingen. De laatste weken zijn de spanningen tussen Boedapest en Bratislava over de behandeling van de Hongaarse minderheid in Slowakije (600.000 mensen) en de Slowaakse minderheid in Hongarije (110.000) zo hoog opgelopen, dat een ontmoeting van de ministers van Buitenlandse Zaken door de Slowaakse regering vorige week werd afgezegd. Slowakije heeft in een diplomatiek memorandum “Hongaarse leidende politici” ervan beschuldigd een “intensieve campagne” te voeren om de Slowaakse regering in diskrediet te brengen.

Het diplomatiek conflict volgt op een voorstel dat de Slowaakse premier Vladimir Meciar in een ontmoeting met zijn Hongaarse ambtgenoot Gyula Horn zou hebben gedaan, om Hongaren in Slowakije en Slowaken in Hongarije op vrijwillige basis “uit te ruilen”. Meciar ontkent dit, maar Horn heeft verklaard dat de Slowaakse leider wel degelijk over een dergelijke “uitwisseling” van minderheden heeft gesproken. Door sommige partijen in Hongarije is Meciars plan “etnische zuivering” genoemd.

Het klimaat voor onderhandelingen over de slepende Gabcikovo-kwestie, na de minderheden het grootste conflict tussen de twee landen, is er daardoor niet gunstiger op geworden. Door beide landen gedeeltelijk ongelijk te geven, heeft het Hof in ieder geval voorkomen dat Slowaaks of Hongaars triomfalisme de relatie verder compliceert.

Hongaren vreesden voor de milieu-effecten van het mega-project