Som der subculturen

Het is zomer 1984. Op het strand van Egmond wordt de jonge eigenaar van een patatkraam getergd door vier ongeveer even oude badgasten. Hij verweert zich, ziet zijn vergissing in, neemt de vlucht, wordt ingehaald en doodgeschopt. Hetzelfde jaar: in Den Haag wordt een zogenaamd heroïnehoertje door twee jonge echtparen die wilden gaan 'stappen', beroofd en met een stuk ijzer doodgeslagen.

Nog langer geleden waarschijnlijk: in een huis aan het Amsterdamse Spui, niet ver van de plaats waar vorig jaar Joes Kloppenburg zijn einde vond, is een student onder de ogen van zijn verloofde met fietskettingen doodgeslagen. Waren dat toen nog uitzonderlijke gebeurtenissen? In de directe omgeving van de moordenaars heerste verslagenheid en onthutsing, want, verzekerde men: “ze waren toch zulke goeie jongens”. Toen was het misschien een nog betere aanleiding voor een nationaal protest geweest: meer bijtijds. Maar voor nationale bewogenheid gelden andere regels. Voor het zo ver is, moet er veel meer gebeuren.

We zijn er langzamerhand aan gewend geraakt het openbare leven te verdelen in 'subculturen'. Zo is er de 'subcultuur' van het voetbal waarin legertjes van supporters steeds zwaarder gewapend tegen elkaar optrekken; ook alweer jaren geleden begonnen, met het vernielen van de treinen waarmee de liefhebbers naar de evenementen werden gebracht. Wie weleens onverhoeds in zo'n gezelschap verzeild is geraakt, weet dat het angstaanjagend is. Inmiddels hebben de supporters hun eerste medesupporter doodgeslagen. Het is een wonder dat dit niet veel eerder is gebeurd. Wie kinderen heeft die in een amateurcompetitie spelen, weet dat er bepaalde wedstrijden zijn waarin ze hun leven kunnen wagen. Scheidsrechters hebben soms doodsverachting nodig om op hun fluit te blazen. Nadat de eerste supporter is gesneuveld, heeft de rechter er een begin mee gemaakt, de manifeste aanwezigheid in deze 'subcultuur' van de vechtsupporters als strafbaar aan te merken. Men hoeft niet meer per se iemand dood te slaan om als mededader te worden beschouwd.

Er is een 'subcultuur' van de uitgaanswereld waarin ook alweer een poos geleden eigenaren van disco's metaaldetectors bij het entree hebben geïnstalleerd, zoals dat in de luchtvaart gebruikelijk is om de terroristen te ontmaskeren. Er is een 'subcultuur' van de binnenstad na sluitingstijd. Weet iemand nog de naam van de portier/uitsmijter die door een paar feestgangers is doodgeslagen? Er is een 'subcultuur' van de automobilisten, waarin het niet ongebruikelijk is dat er twee elkaar telijf gaan om het grondgebied van een parkeerplaats.

Er is zelfs een 'subcultuur' van de tram, waar de passagiers weten dat ze hun leven niet moeten wagen als de achterste plaatsen bezet worden gehouden door een paar rokende, spuitende of chinezende junks of door een gewone krachtpatser met zijn benen op twee banken. Daar heerst een sfeer van levensgevaar. Menige Amsterdamse ijzerwinkel heeft een vervaarlijk aanbod aan verboden steekwapens, die je overigens niet in de tram mag meenemen, zoals daar de plakkertjes op de ramen melden. Er is een 'subcultuur' van de groentijd waar nu, bij het intimideren, een alcoholverbod is afgekondigd. En tenslotte is er een 'subcultuur' van de televisie, die men graag als de oorzaak van het ontstaan en floreren der andere beschouwt, maar die in werkelijkheid alleen in de hausse der 'subculturen' meedeelt.

Ik heb 'subcultuur' telkens tussen aanhalingstekens gezet, omdat het intimideren, bluffen, uitdagen, het straat-, disco-, strand-, kroeg-, voetbal- televisie-, openbaar-vervoer- of automobilisme-geweld, het 'op de vuist gaan' en eventueel doodtrappen of doodslaan niet sub is, maar, zoals iedere niet wereldvreemde Nederlander weet, tot de algemene cultuur hoort. Het is ook niet typisch Nederlands. In elke stad die tot de westerse cultuur hoort, loopt iedereen de kans te worden aangevallen door deze of gene aan wie hij of zij op een of andere manier niet voldoende 'respect' heeft betoond (om de geringste aanleiding te noemen).

Het geheel der 'subculturen' is de cultuur waarin rauwe agressie met negeren van de officiële spelregels van het openbare leven, officieus wordt beloond. Er is geen statistiek van het straatgeweld of de criminaliteit voor nodig om daarvan op de hoogte te raken. Het is de dagelijkse ervaring van iedereen die met het openbaar vervoer naar zijn werk gaat, oversteekt, televisie kijkt, sport beoefent. In de algemene cultuur voor zover die het dagelijks leven reguleert, is geweld, brutaliteit, met woorden, geluid of daadwerkelijk, onmetelijk aanvaardbaarder geworden. Veel vormen van geweld, die binnen de grenzen van de wet kunnen worden uitgeoefend, brengen zelfvoldoening, aanzien, respect, zo niet promotie, carrière, geld.

Daar helpt geen ethisch reveil tegen, geen anti-assertiviteitscursus, geen minuut stilte. Dat zijn ééndagswapens, hoe mooi bedoeld ook, strijdmiddelen uit het arsenaal van de copywriter. De vraag van algemeen belang is, wat als 'exces' wordt beschouwd, waar duurzaam de grens tegen het 'exces' wordt getrokken en hoe het 'exces' daarna consequent wordt behandeld. Na een groot aantal 'excessen' volgt de terugslag, de backlash. In de stad New York kan men weer heel wat veiliger over straat lopen dan een jaar of tien geleden. Vooral het bewind van burgemeester Giuliani heeft daartoe veel bijgedragen. Dat heeft weer tot andere 'excessen' geleid, namelijk van politiegeweld waaraan racisme niet vreemd is. Een backlash is de extreme reactie op extremisme, dat is ontstaan doordat men verzuimd heeft, het gewoon fatsoen behoorlijk te bewaken.

Is Nederland nu aan zo'n backlash toe? Dit land heeft een handicap: de voorbeeldigheid die het zichzelf toeschrijft, het model van tolerantie, verzorging, reclassering, democratie, en de laatste jaren weer economische ontwikkeling. Laten we hopen dat het in beginsel aanwezig is. Maar de voorbeeldigheid prijzend hebben de denkers bij het prijzen het voorbeeld vergeten. Daardoor komt het dat er een backlash in de lucht zit.