Laat moederschap historisch niet uitzonderlijk

Nergens beginnen vrouwen zo laat aan kinderen als in Nederland. Maar is het wel zo bijzonder om op je 29ste je eerste kind te krijgen? En is het erg? Onderzoekers uit vele disciplines werpen zich op het vraagstuk.

ROTTERDAM, 24 SEPT. Van de vrouwen die kort na de oorlog werden geboren had 60 procent op hun 24ste, rond 1970, een kind. Van de vrouwen die rond 1970 werden geboren had slechts 20 procent op hun 24ste een kind. Van 60 naar 20 procent in twee decennia: demograaf Gijs Beets noemt dat in het boek Uitgesteld ouderschap een “revolutionaire daling”. Veel meer dan de stijging van de gemiddelde leeftijd van de vrouw bij de geboorte van het eerste kind geeft dit aan hoe ingrijpend het leven van vrouwen van in de twintig veranderd is: van thuiszittende moeder naar werkende vrouw zonder kinderen.

Minister Melkert (emancipatiezaken) nam vandaag het eerste exemplaar van Uitgesteld ouderschap in ontvangst. Onderzoekers uit allerlei disciplines (demografie, economie, sociologie, recht, maar ook biologie, geneeskunde en zelfs ethiek) leverden een bijdrage.

De verandering in de leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen mag dan de afgelopen decennia groot zijn geweest, op zich is die 29 jaar historisch gezien niet uitzonderlijk. In het midden van de vorige eeuw begon het moederschap gemiddeld ook pas boven de 28. Juist het jonge moederschap uit de jaren zestig en zeventig, toen de gemiddelde leeftijd bij geboorte van het eerste kind onder de 25 daalde, vormt de historische uitzondering.

Ook internationaal springt Nederland er niet uit. Weliswaar nam Nederland begin jaren negentig de koppositie van Zwitserland over, maar de verschillen zijn klein. Landen als Frankrijk, Duitsland en Denemarken volgen Nederland op de voet. Alle landen in noordwest-Europa vertonen de afgelopen twee decennia de sterke stijging in het begin van het moederschap.

Het zijn vooral medici geweest die zich met zorg hebben uitgelaten over deze ontwikkeling. Eventuele complicaties van het relatief laat moeder worden doen zich dan ook vooral voor op medisch vlak. Dat begint met afnemende vruchtbaarheid, waardoor zwanger worden meer tijd vergt. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat die afname van de vruchtbaarheid weliswaar volgens een vast patroon verloopt, maar dat die bij verschillende vrouwen op verschillende leeftijd inzet. Bij de ene vrouw tikt de 'biologische klok' harder dan bij de andere. De auteurs uit de medische hoek suggereren in Uitgesteld ouderschap dat in de nabije toekomst een test zou kunnen worden ontwikkeld waarmee kan worden vastgesteld op welke leeftijd een vrouw relevante vruchtbaarheidsbeperkingen krijgt.

Die verminderde vruchtbaarheid leidt er onder meer toe dat vrouwen die na hun 35ste moeder willen worden, relatief vaak een beroep doen op medische hulp om de zwangerschap te bewerkstelligen. Is zij eenmaal zwanger, dan neemt met haar leeftijd de kans op een miskraam toe (10 procent onder de 35 jaar, 20 procent tussen de 35 en de 40 jaar, 40 procent daarboven) evenals de kans op zwangerschapscomplicaties (verhoogde bloeddruk bijvoorbeeld treedt op bij 1,6 procent van de 20- tot 25-jarige zwangere vrouwen, boven de 35 jaar loopt dit op tot 6,2 procent) en op verlossing via de keizersnede (5,2 procent van de 25- tot 29-jarigen, 9,5 procent van de 35- tot 39-jarigen). Ook hebben vrouwen die laat kinderen krijgen, een verhoogde kans op borstkanker.

Er bestaat een sterk vermoeden dat de kans op een te vroege geboorte van het kind toeneemt met de leeftijd van de moeder. Weliswaar blijven te vroeg geboren kinderen steeds vaker in leven, maar later in hun leven doen zich wel beperkingen voor, bijvoorbeeld in de vorm van leerstoornissen. Van de te vroeg geborenen zit 20 procent als negenjarige in het speciaal onderwijs, tegenover 6 procent van alle negenjarigen.

Waar er medisch iets te zeggen valt tegen laat ouderschap, is vanuit andere disciplines eerder het tegenovergestelde het geval. Zo concludeert Frank van Balen dat er pedagogisch gezien meer plussen dan minnen zijn: oudere ouders zijn gemiddeld genomen competenter en hebben het materieel beter. Economisch gezien doen vrouwen er sowieso goed aan het krijgen van kinderen uit te stellen: hoe langer ze werken voordat ze een kind krijgen, hoe meer ze verdienen.

Een deel van de ontwikkeling naar een later moederschap hangt samen met de toegenomen deelname van vrouwen aan het onderwijs. Hoger opgeleiden beginnen later aan kinderen dan lager opgeleiden. De gemiddelde tijd die verstrijkt tussen het verlaten van het dagonderwijs en de geboorte van het eerste kind verschilt nauwelijks. Door langere studie zijn vrouwen later 'aan kinderen toe' dan pakweg twintig jaar geleden.

Maar daarnaast is bij veel vrouwen ook sprake van min of meer bewust uitstel, wat samenhangt met de problemen die ze ondervinden om werk, huishouden en opvoeding te combineren. Aan zulke belemmeringen is beleidsmatig zeker iets te doen, zo leren ervaringen uit bijvoorbeeld de Scandinavische landen. Maar, luidt de conclusie in de slotbeschouwinng van het boek, de centrale overheid is tamelijk passief als het aankomt op uitbreiding van verlofregelingen en kinderopvang.

De auteur wist toen nog niet dat minister Melkert zich gisteren zou uitlaten voor betaald ouderschapsverlof. Maar voorlopig zijn dat alleen woorden. Het aantal late moeders zal dus op korte termijn zeker niet afnemen.