Genesis 39-41: Jozef in Egypte

De verhalencyclus met Jozef als hoofdpersoon maakt grofweg het laatste kwart van Genesis uit. Daarmee is hij het meest volumineuze personage van het eerste bijbelboek. Zijn vader Jakob is in dat opzicht tweeds, zijn overgrootvader Abraham derds, en zijn grootvader Isaak vierds. In de verhalen rond Jozef bereikt het compositietalent van wie het ook zijn die Genesis geschreven dan wel geredigeerd hebben, een literair hoogtepunt. Er valt hier op allerlei niveaus heel veel te bezichtigen en te genieten - veel meer dan in een paar stukjes uiteen te zetten valt.

Het weefsel van thema's en motieven is even hecht als subtiel. De hoofdzoon van aartsvader Jakob, die ook zelf al een man van de droom en de nachtelijke ontmoeting was, is van begin af aan een aartsdromer. Het zelfingebeelde karakter van zijn dromen wekt mede de haat van zijn broers en veroorzaakt zijn verkoop als slaaf naar Egypte. Maar ook uiterlijk heeft hij minstens evenveel aanstoot gegeven doordat hij de drager is van het hem door zijn vader gegeven 'pronkkleed'. Hij is immers het lievelingskind. Net zoals hij door zijn broers in een put is geworpen, belandt hij in Egypte in de gevangenis - en eigenlijk weer vanuit een onverdraaglijke voorkeurspositie. Hij is opgeklommen tot major domus bij de hoveling Potifar. Deze 'liet al het zijne aan Jozef over, en met hem naast zich, bemoeide hij zich enkel met het brood dat hij at. Jozef nu was schoon van gestalte en schoon van uiterlijk. Hierna sloeg de vrouw van zijn heer haar ogen op Jozef, en zij zeide: 'Kom bij mij liggen'. Dit moet wel een van de bekendste geschiedenissen uit de bijbel zijn.

Nog altijd is Jozef een beetje onuitstaanbaar in onze ogen. Dit keer omdat hij zo geweldig onkreukbaar is. Ook nu weer is het in hoofdzaak jaloezie die het verhaal voortbeweegt. Want na vele herhaalde avances grijpt de vrouw van Potifar hem 'bij zijn kleed en zeide: Kom bij mij liggen. Maar hij liet zijn kleed in haar hand achter, vluchtte en liep naar buiten.'

Alweer een kleed. Ook dit kleed wordt verafschuwd: zij wil deze akelig volmaakte factotum nu juist naakt. En ook dit kleed wordt vervolgens gebruikt om de ware toedracht af te dekken, of liever om de kuise slaaf in staat van beschuldiging te stellen.

Zo belandt Jozef in de gevangenis, waar hij weldra een soort assistent van de gevangenisdirecteur wordt en zijn carrière als droomduider een aanvang neemt. Aan twee collega-gevangenen, respectievelijk 'de schenker en de bakker van den koning van Egypte', voorspelt hij op grond van hun dromen de toekomst. Mooi zijn ze, deze antieke dromen, met hun parallellisme en hun goedgebouwdheid - puzzels die, eenmaal gelegd, volmaakt helder zeggen wat er te gebeuren staat: de bakker zal worden opgehangen, de schenker in zijn ambt hersteld. Zo dromen wij niet meer, ook literair niet. Maar de schenker vergeet zijn belofte om bij de farao gewag te maken van Jozefs onrechtvaardig lot in de gevangenis. Pas twee jaar later schiet Jozef hem weer te binnen, wanneer de farao gedroomd heeft. In de cyclus verhalen is dit derde tweetal dromen, van de vette en de magere jaren. 'Den volgenden morgen was zijn geest onrustig en hij ontbood al de geleerden en al de wijzen van Egypte, en Farao vertelde hun zijn dromen, maar er was niemand die ze Farao kon uitleggen.' Nu rijst de ster van Jozef om niet meer onder te gaan. Hij wordt uit de kerker gehaald, geschoren, in 'andere klederen' gestoken en komt bij de farao. Heel mooi is dat de verteller het verhaal van de dromen van farao in korte tijd maar liefst twee keer uit de doeken doet. Eenmaal droomt de lezer rechtstreeks met de farao mee, betrekkelijk beknopt; en eenmaal hoort hij niemand minder dan de farao zelf diens beide dromen nog eens - in een wat uitgebreidere vorm - aan Jozef vertellen. Het is een procedé waardoor het verhaal een zekere welgedaanheid krijgt.

Jozef legt niet alleen uit wat de dromen betekenen - namelijk dat zeven jaren overvloed gevolgd zullen worden door zeven jaren hongersnood - hij geeft bovendien het advies om voedselvoorraden aan te leggen. En zoals dat wel vaker gaat, de adviseur wordt directeur. Althans adjunct-directeur. 'Daarop trok Farao zijn zegelring van zijn hand en deed hem aan Jozefs hand; hij bekleedde hem met linnen klederen, en hing een gouden keten om zijn hals. En hij liet hem rijden op den tweeden wagen dien hij had, en men riep voor hem uit: Eerbied!'

Dertig jaar oud is Jozef nu, in zijn kennelijk uiterst luxueuze linnen kleren. Hij trouwt met een Egyptische en krijgt twee zoons, Manasse en Efraim. Zeven jaar lang slaat hij vervolgens koren op in de steden: 'als zand der zee, geweldig veel, zodat men ophield te tellen, want er was geen tellen aan.' Aan het eind van die zeven jaar, wanneer de periode van schaarste begint, verkeert hij dan ten slotte in de gedroomde positie van de zoetst mogelijke wraak - die hij niet nemen zal. Want nu is de situatie volledig omgekeerd: zijn broers die zich dertien jaar geleden het eten lieten smaken naast de put waarin Jozef een hongerdood tegemoet leek te gaan, zullen immers naar Egypte komen, waar Jozef alle schuren geopend heeft en koren verkoopt aan de Egyptenaren. 'En de gehele wereld kwam naar Egypte om bij Jozef koren te kopen, want de honger was sterk op de gehele aarde.'