Even rust en aandacht voor drugsverslaafden

Dominee H. Visser, die drugsverslaafden opvangt in zijn kerk, is voor sommigen een barmhartige Samaritaan, maar voor anderen iemand die daarbij al jaren de grenzen van wetten en regels aftast.

ROTTERDAM, 24 SEPT. Het is nog maar half elf in de ochtend, maar voor drugsverslaafde Jan is dinsdag 23 september al geslaagd. Bij het Rotterdamse Centraal Station heeft hij al zijn Straatkranten - met een prijs van twee gulden per stuk - verkocht. Naar zijn zeggen is hij zodoende “vijfenzeventig piek rijker” geworden.

Trots en voldaan keert Jan het station de rug toe voor “een sneetje brood en een tas koffie” in de Pauluskerk, op een steenworp van zijn werkplek. Hij oogt tamelijk fris, maar zijn ingevallen gezicht en zijn slechte gebit verraden dat hij een 'gebruiker' is. Hij bestelt zijn ontbijt aan een bar die door vrijwilligers wordt gerund. In de kelder van de kerk bevinden zich ook de andere ruimten voor verslaafden.

Dominee Hans Visser heeft de kelder afgestaan aan harddrugsverslaafden. Via de entree kom je in het souterrain, dat behalve twee grote lokalen ook twee gedoogkamers telt. Om tien uur 's morgens zit het eerste kamertje redelijk vol. Aan een lange tafel zijn veelal donkere mensen met hun handen geconcentreerd in de weer met poeder, stukjes zilverpapier, lucifers en sigaretten. Ze gebruiken cocaïne of heroïne. Ze mogen een uur blijven, en dan moeten ze plaatsmaken voor de volgende groep.

Sinds enige jaren biedt dominee Visser zwervers en junks onderdak en begeleiding. Hij stelt vast dat “kwetsbare heroïnegebruikers”, zoals psychisch zieke junks, verloederen en dikwijls het slachtoffer worden van meedogenloze straatdealers. Daarom bemiddelt Visser sinds een paar weken tussen vijf 'crepeergevallen' en zeven 'sociale dealers' die hij goed kent. Hij wijst die junks de weg naar de verkopers, die de drugs buiten de Pauluskerk te koop aanbieden tegen een aanzienlijk lagere prijs dan gebruikelijk. Justitie onderzoekt de gang van zaken, maar heeft nog geen strafbare feiten ontdekt.

Het experiment van Visser is in het souterrain van de kerk een veelbesproken onderwerp. Een jonge dakloze vrouw spuwt haar gal. Na een woordenwisseling met een barbediende (“Er zit te weinig kaas op mijn boterham en toch moet ik je er een kwartje voor betalen”) zegt ze dat Visser “veel te veel de publiciteit zoekt met de Pauluskerk”. “Dat leidt tot misverstanden”, roept ze. “De mensen denken dat wij hier voor niks heroïne krijgen. Vergeet het maar, we moeten er voor betalen. ”

In de Pauluskerk leidt toezichthouder Carlo Lantveld het bezoek rond. Hij vertelt dat het gebruik van pillen, zoals rohypnol en valium, niet is toegestaan, “omdat de mensen daarvan sloom en slaperig worden, gaan hangen of zelfs plat gaan”.

De bezoekers van de kerk hebben twee soorten passen: een groene om binnen te komen en een gele voor de gedoogkamers. Op de deur van de tweede gedoogkamer staat: “Deze ruimte is alleen voor mensen die (shotten) spuiten en in het bezit zijn van een gele pas”. Binnen hangen twee stukken karton aan de muur met de tekst: “Spuiten in nek (hals) of lies is ten strengste verboden”. In het bijzonder blanke mensen hanteren hier de spuit.

Visser heeft zijn kantoor aan de achterkant van de kerk. Hij zegt dat zijn “grote hang” is het “drugsgebruik uit de criminele sfeer te halen”. “Maar ik sta in de bagger, ook door het verzet van de politiek tegen de proef met de vijf crepeergevallen. Het openbaar ministerie in Rotterdam weet dat ik in de marge opereer, dat ik tegen de grens aan zit. Maar het OM heeft inzicht in wat ik doe. Ik conformeer me aan het OM-beleid en ik maak me volgens mijn juristen niet schuldig aan overtredingen. Ik doe zaken met een groep dealers die bij een notaris is geregistreerd. Dat is geen criminele organisatie.”

Visser krijgt naar zijn zeggen de steun van het Rotterdamse stadhuis, de GGD en de politie. En dat wil hij graag zo houden. “Als dat wat ik doe niet wordt verdragen door het OM, dan krijg ik de grootste problemen met de stichting voor Kerkelijke Sociale Arbeid, mijn werkgever.” Maar de KSA heeft altijd achter me gestaan, laat hij daar meteen op volgen. En hij wijst op de moeilijkheden die hij de afgelopen zestien jaar als hulpverlener heeft ondervonden. In 1981 opende hij een gedoogzone voor druggebruikers en kreeg hij de toenmalige hoofdcommissaris Blaauw op zijn dak. In 1989 begon hij met een gebruikerszone (“Dat veroorzaakte een storm, maar het werd aanvaard”) en in 1990 en 1994 kreeg hij de rijksrecherche op bezoek. Daarna had hij grote problemen met Perron Nul.

“Alle onderzoeken liepen goed voor me af”, zegt Visser. “Als dominee kan ik me ook niet permitteren de zaak te belazeren. Ik voorkom zwijnerij en knoeierij. Een echte crimineel komt niet bij me in de buurt, want dat is te gevaarlijk. De politie let immers op mij. De kleine dealers die de vijf crepeergevallen bedienen, zijn geen grote boeven. Ze willen uit het criminele circuit en belasting betalen. Akkoord, hun heroïne is van de zwarte markt, en dus niet altijd van goede kwaliteit.”

Van degenen die gedurende twintig jaar harddrugs gebruiken, weet Visser, gaat vijfentwintig procent daaraan dood. “Driekwart overleeft dus”, voegt hij eraan toe, van wie eenderde afkickt. “En dat is de moeite waard”, aldus de dominee, die vaststelt dat de politiek “te weinig begrip” toont voor deze “verschoppelingen”.

Visser: “Het veelgeroemde poldermodel van Kok heeft pas succes als de stem van de armen - asielzoekers, drugsgebruikers, etcetera - even zwaar weegt als de stem van de ministers, de Kamerleden en de hoge onderzoekers. En dat is niet zo. De premier schiet op dit punt als sociaal-democraat tekort.”

De bezoekers van de Pauluskerk - de sfeer is er vredelievend - sluiten zich hierbij aan. Maar ze nemen niet de tijd er lang bij stil te staan. Ze moeten vechten om te overleven. De Pauluskerk helpt hen daarbij. Die zorgt, in noodgevallen, voor een maaltijd, een slaapplaats en gezelligheid. En die probeert de bezoekers weer op weg te helpen in de maatschappij. Een aantal van hen verdient geld door de verkoop van de Straatkrant. Anderen werken bij een speciaal uitzendbureau, Straat Tel, zoals een lange, slanke jongen met doffe ogen, die anoniem wil blijven. Een paar uur per dag doet hij telefonische enquêtes. “Dat is goed voor mijn eigenwaarde”, zegt hij. “En ik heb geen zenuwen meer dat ik zonder geld zit. De dominee verdient een monument.”