El Niño zit achter droogte Indonesië

ROTTERDAM, 24 SEPT. De huidige droogte in Indonesië en Irian Jaya hangt onmiskenbaar samen met het zogenoemde El Niño-verschijnsel. Dat is een tijdelijke maar omvangrijke klimaatsverandering die vooral rond de Stille Oceaan tot uiting komt en zowel tot droogte als wateroverlast kan leiden. De zwaarste Niño van de eeuw deed zich voor in 1982 en kostte vele honderden mensen het leven. De huidige Niño dreigt nog zwaarder te worden.

Wetenschappers duiden het verschijnsel liever aan met ENSO: El Niño - Southern Oscillation. Met de Southern Oscillaton (zuidelijke schommeling) wordt een afwijkend patroon in luchtdrukverdeling boven de Stille Oceaan aangegeven.

ENSO-gebeurtenissen doen zich gemiddeld eens in de vier jaar voor, maar zijn zeer grillig, zowel in frequentie als in intensiteit. Het mechanisme achter het verschijsel is ruwweg als volgt: Door het wegvallen van de passaten in het oosten en midden van de Stille Oceaan verschuift een omvangrijke massa zeer warm zeewater (de warm pool), die zich gewoonlijk in het westen bij Papua Nieuw Guinea ophoudt, naar het centrum van de Stille Oceaan. Dat brengt met zich mee dat de genoemde passaten in het oosten nog verder afzwakken en dat het patroon van zeestromingen voor de kust van Peru en Chili verandert. Waar gewoonlijk een koude, zuidelijke stroming langs de kust loopt die ook nog eens een koude opwelling in stand houdt verschijnt nu opeens uit tegenovergestelde richting veel warmer water. De voor de Peruaanse vismeelindustrie zo belangrijke ansjovis-populatie verdwijnt en zeevogels sterven. De normale droogte maakt plaats voor zware regenval. (Jarenlang is uitsluitend dit lokale effect door Peruanen 'El Niño' genoemd.) Verderop naar het noorden kan ook Californië in de winter veel extra regen en wind verwachten.

Aan de westzijde van de Stille Oceaan wordt het na het wegtrekken van de warm pool juist veel droger in Indonesië, Irian Jaya en het oosten van Australië. De luchtcirculatie is bij een zware ENSO-gebeurtenis zozeer gewijzigd dat zelfs de regenval in India en Zimbabwe kan uitblijven.

De grote bosbranden en de daarmee samenhangende rookvorming boven Indonesië zijn dus in zekere zin niets bijzonders. In september 1994 en oktober 1991 (beide Niño-jaren) deed zich precies hetzelfde voor, inclusief de gezondheidsklachten. De imposante rookontwikkeling hangt op twee manieren met de droogte samen. Enerzijds ontstaan uit opzettelijk aangestoken kleine branden en bij grote droogte makkelijker ongecontroleerd uitdijende bosbranden. Anderzijds ontbreekt de regen die de roet- en rookdeeltjes weer uit de lucht kan wassen. Daar komt bij dat de deeltjes ook nog als condensatiekernen voor waterdamp kunnen dienstdoen.

Chemisch gezien komt de smog in Indonesië meer overeen met wintersmog, zoals die welke vroeger berucht was in Londen, dan met de fotochemische smog (Los Angeles-smog) waarbij lokaal veel (giftig) ozon ontstaat. Toch blijken de talrijke bos- en savannebranden van de slash-and-burn landbouw rond de evenaar in Afrika en Azië, zoals Paul Crutzen heeft aangetoond, veel bij te dragen aan ozonvorming op grotere hoogte in de troposfeer, ver verwijderd van de branden zelf.