Een stralende blik in een Jappenkamp

Paradise Road. Regie: Bruce Beresford. Met: Glenn Close, Pauline Collins, Frances McDormand, Johanna ter Steege, Jennifer Ehle, Cate Blanchett, Julianna Margulies. In 6 theaters.

Het eerste uur van Paradise Road overtuigt meer dan het laatste, zoals wel vaker het geval is bij films van regisseur Bruce Beresford (Sydney, 1940). De voor het eerst sinds 1986 weer een Australische productie afleverende regisseur, die ondanks de Oscars voor Driving Miss Daisy (1989) zijn draai in Hollywood niet meer kan vinden, is namelijk erg goed in het realistisch en grimmig oproepen van extreme menselijke ellende, van het soort dat geen hoop meer over lijkt te laten. Een enkel keer houdt hij die kwaliteit tot het einde vol, zoals in zijn beste film Breaker Morant (1979) over een proces tegen Australische deserteurs tijdens de Boerenoorlog. Meestal ziet Beresford echter kans de stemming halverwege om te draaien in de richting van onverwachte verlossing, levenskracht en de overwinning van menselijke waardigheid. Daar is niets op tegen, behalve dat Beresford in dat positieve register snel terugvalt op clichés en sentimentaliteit.

Het is begrijpelijk dat het gegeven van Paradise Road, mede gebaseerd, zij het officieus, op Helen Colijns herinneringen De kracht van een lied, Beresford aansprak. Een groot aantal van de vrouwen in het Jappenkamp op Sumatra haalt het einde van de oorlog niet; ook de overlevenden zijn vanzelfsprekend voor altijd gemarkeerd door de ontberingen en vernederingen. Met grote precisie, historisch en psychologisch inzicht, tekent Beresford hun onttakeling. De meesten worden geïntroduceerd op een koloniaal bal in Singapore, begin 1942, nog overtuigd van de Japanse militaire inferioriteit. Als ze korte tijd later van een zinkend transportschip in zee moeten springen, is dat nog maar een voorbereiding op de diepe buigingen die ze de komende jaren voor de keizer zullen moeten maken.

In het kamp laat Beresford aanvankelijk heel goed zien wat de dilemma's van het overleven zijn; ook indien de keuzevrijheid om zich te prostitueren of niet historisch onjuist zou zijn, is het een dramatisch effectief middel om duidelijk te maken waar het om gaat: buigen, barsten of een kleine kans met behoud van integriteit te overleven. De slimsten hebben de regels van het spel snel door, zoals de Duitse jodin (Frances McDormand), die als arts optreedt en de gouden vullingen van de doden aan de Japanners verpatst in ruil voor kinine. Beresford heeft begrip voor haar cynische heldendom, maar zijn sympathie gaat meer uit naar de veerkracht van de compromisloze verdedigsters van de westerse beschaving. De essentie van het door Glenn Close (de vrouw van een industrieel) en Pauline Collins (een Britse zendeling) opgerichte stemmenorkest is niet dat hun kunstige arrangementen, repetities en uitvoeringen afleiding bieden, maar dat ze de herinnering aan een civilisatie, aan Ravel en Dvorak, levend houden en dus hun (culturele) identiteit. Zo dwingt de weigering een Japans lied in te studeren zelfs respect af bij de kampcommandant.

Ook dat aspect van het verhaal riekt naar romantisering en verdichting, ten dienste van het bezorgen van een positieve boodschap. De stralende blik van koordirigente Glenn Close (nooit mijn favoriete actrice geweest, zeg ik er eerlijk bij) roept dan meer ergernis op dan goed is voor mijn geloof in de film. Het is jammer, want voor een groot deel lijkt Paradise Road een genuanceerd beeld te willen schetsen van het historische drama dat Europeanen - en een groot aantal Aziaten - daar en toen ondergingen. De weeë smaak van heldendom past er slecht bij.