Doofstom

Een van de vermakelijkste dingen die de laatste tijd in het tijdschrift Onze Taal hebben gestaan was de uitkomst van een onderzoek naar talenkennis bij Nederlandse bedrijven. Het was nog veel erger dan je toch al dacht; vooral kennis van het Duits en het Frans waren praktisch afwezig.

Het hoogtepunt van het artikel was, dat ze bij verschillende bedrijven, als een Frans sprekend persoon opbelde met een paar eenvoudige vragen, in wanhoop de telefoon op de haak gooiden.

Zo zie je maar, dacht ik nog, dat het gestegen opleidingsniveau van de Nederlanders ook weer niet zoveel voorstelt. Het is jammer, maar talenkennis blijft kennelijk iets elitairs.

Dacht ik. En vol verwachting spoedde ik mij naar een erg elitaire bijeenkomst: een lezing in het Rijksmuseum door een vooraanstaand Duits kunsthistoricus. Het ging over negentiende-eeuwse neostijlen. De Duitser deed zijn mond open en zei: Ladies and gentlemen, vergeeft u mij mijn slechte Engels... Maar in plaats van dat de zaal als één man opstond om hem te smeken zijn moerstaal te spreken, klonk beleefd gemurmel. 't Ging best, hoor.

De geleerde las dus in houterig Engels, waarbij ongeveer één derde van de informatie en driekwart van de leukigheid verloren ging. Zou het gehoor, al die hoogopgeleide kunstminnaars, nog meer gemist hebben als de man Duits had gesproken? Ik denk van niet; wel had dan tenminste een aantal luisteraars het volle profijt ervan gehad.

Maar Duits is eng, Frans is moeilijk en alleen Engels gáát wel. Italiaans of Spaans spreekt helemaal niemand. Op de meest onverwachte momenten word je met die armzalige toestand geconfronteerd. Laatst mijmerde een bekende schrijver op deze plaats over zijn oude liefde voor de Maigret-boeken van Simenon. Leuk, denk je, verderlezend: en dan blijkt dat hij ze in het Nederlands leest, die simpele boekjes!

Het is alsof met de uitvinding van het 'pakket' op de middelbare school de schaamte is weggevallen van hen die geen Frans, Duits en/of Engels spreken. Ja lezer, u hebt gelijk, het Frans van uw ouders was niet om aan te horen, en in het buitenland spreken ze helemaal niks over de grens. Maar het is zo stom om het niet te kunnen. Zo stom, en zonde van een culturele traditie die we hier tot voor kort hadden. Wie heeft doorgeleerd kent Frans, Duits en Engels, of doet alsof. Dat was de afspraak.

Intussen wordt druk gewerkt aan de euro. Europese politici overtreffen elkaar in voortvarendheid, wie achterblijft is een spelbreker. Uit alles spreekt de gedachte dat het niet alleen economisch beter is, maar dat er een Hoger Doel mee is gediend als ten koste van miljarden en miljarden de oude munteenheden worden afgeschaft. Terwijl veel economen de voordelen betwijfelen, en iedereen kan begrijpen dat het met moraal nul komma niks te maken heeft, en met beschaving nog minder.

Toen ik klein was, was ik tweetalig. In Duitsland was ik een Duits meisje, in Nederland een Nederlands kind. In mijn hart was ik daar trots op, maar wat ik mij ook nog goed herinner is een soort verantwoordelijkheidsbesef: ik moest een beetje een middelaarster zijn. Als Nederlanders afgaven op moffen, of Duitsers op ons kleine landje, stond ik op de bres voor de ander, want ik hoorde bij allebei.

Nu heb ik een idee. Het geld dat het zou kosten om de frank en de gulden om zeep te helpen, wordt besteed aan een groot uitwisselingsplan. Met kinderen zou het lastig zijn, dus laten we zeggen dat achttienjarigen uit alle Europese landen één jaar naar een anderstalig Europees land mogen. Om te leren, te luisteren en uit hun doppen te kijken. In hun eentje. Wie goed z'n best doet en de taal vloeiend leert spreken, krijgt er nog een jaar bij.

Daar zou Europa tenminste iets aan hebben; het zou als middel tegen de interculturele doofstomheid alles overtreffen wat tot nu toe wordt geprobeerd met vertaalsubsidies en kunstmanifestaties. En als die kinderen dan later toch de euro willen invoeren - dan mogen ze dat helemaal zelf weten.