Dit 'gekkenhuis' is niet leuk meer

Vrije tijd is toch als je niets móet doen en dus om iets leuks te gaan doen, hield m'n dochtertje me jaren geleden op een avond voor. Zij probeerde mij tot voorlezen te verleiden, terwijl ik achter mijn tekstverwerker zat, waarschijnlijk bezig met een artikel over mentale arbeidsbelasting, vermoeidheid en herstel.

Het was begin jaren tachtig, en zij noch ik kon weten dat 'de Nederlander, zoals haar moeder en vader' - toen rond de veertig en met ten minste een HAVO-opleiding - geleidelijk aan meer tijd zou gaan besteden aan 'verplichtingen', in het bijzonder betaalde arbeid, en steeds minder tijd zou overhouden om 'iets leuks' te doen.

Om nog maar te zwijgen van de futurologie, in de tweede helft van de jaren zestig, over de 'vrijetijdsmaatschappij' die toch zeker vóór het tweede millenium gerealiseerd zou zijn. Niet alleen de schilder Constant, provo's of kabouters waren hiervan overtuigd, tot in de hoogste wetenschappelijke kringen leek dit een politiek correcte gedachte.

Dat is wel even anders gelopen. 'Werk, werk, werk' is momenteel méér dan een beleidsdoelstelling. Het is de politiek correcte ideologie van de jaren negentig. Met op volle toeren draaiende banenmachines is dat 'werk' het probleem niet meer - lijkt het. Het probleem is 'vrije tijd'. Wij zouden er steeds meer van krijgen, maar eigenlijk niet goed weten wat we er mee aan moeten.

Is dat wel zo? Enige nuancering lijkt geboden. Vergeleken met twintig jaar geleden, toen het Sociaal en Cultureel Planbureau de eerste tijdbestedingsstudie deed, hebben in de beroepsbevolking alleen de 50- tot 64-jarigen meer vrije tijd gekregen. Voor alle andere leeftijdscohorten geldt dat het aantal 'niet-verplichtingsuren' is afgenomen, in versterkte mate onder hoger opgeleiden (met ten minste HAVO). Daarnaast is het aantal uren per week besteed aan betaalde arbeid gedurende die twintig jaar gestaag gestegen, behalve onder 'tieners' (12-19 jaar) en 'ouderen' (50-64 jaar).

Nederland is in deze ontwikkeling niet uniek. Wel bijzonder is de ongelijke verdeling tussen de leeftijdscohorten in Nederland. De afname van 'aan betaalde arbeid gebonden' tijd, en samenhangend daarmee de toename van 'vrije' tijd bij het oudere deel van de beroepsbevolking zijn voor een belangrijk deel het gevolg van de sanering die in de afgelopen twee decennia in het Nederlandse arbeidsbestel. Deze sanering is in belangrijke mate gerealiseerd door verwijdering van 'ouderen' uit de (betaalde) arbeid, via regelingen voor arbeidsongeschiktheid, vervroegd uittreden en werkloosheid. Nederland is uniek in de schaal waarop dit instumentarium is gebruikt.

Van de andere kant kan de stelling verdedigd worden dat het 'poldersucces' mede te danken is aan deze ongekende sanering, die tot de dag van vandaag doorgaat. De arbeidsproductiviteit van een werknemer in Nederland, met name in de industrie en de commerciële dienstverlening, behoort tot de hoogste van de wereld. Met een relatief jonge en hoogbelastbare (want de 'vlekjes' zijn wel verwijderd en nieuwe 'vlekjes' worden nauwelijks nog getolereerd), maar in aantal sterk afgeslankte populatie werknemers blazen wij meer dan ons deuntje mee, in Europa en op wereldschaal. Dat betekent onder meer dat de arbeidsintensiteit in Nederland behoorlijk is toegenomen.

Het hoeft in dit perspectief nauwelijks te verbazen dat het niveau van klachten over een hoge werkdruk in Europa verreweg het hoogst is in Nederland. 'Druk, druk, druk' mag dan een soort sociale mantra zijn om geen verder gesprek te hoeven voeren, dan wel een rituele uiting om je status in het werk op peil te houden, maar het is al te gemakkelijk het bij dit cynisme te laten.

Een hoge werkdruk leidt onvermijdelijk tot problemen in de bedrijfsvoering. De kwaliteit van de arbeidsprestatie wordt er niet door bevorderd; demotivatie, dissatisfactie, verlies aan commitment en van inzet daarentegen wél. 'Ze zoeken het daarboven maar uit, want dit gekkenhuis is niet leuk meer', is een exemplarische uiting van deze onvrede.

De belasting die met een hoge werkdruk gepaard gaat, kan aanleiding geven tot problemen in het individueel functioneren, het welzijn en de gezondheid, binnen en buiten de arbeid. Dat zal vooral zo zijn wanneer de mogelijkheden tot herstel onvoldoende zijn. Vrije tijd - of beter: tijd waarin men niet door verplichtingen wordt gedreven - heeft hierin een buitengewoon belangrijke functie, zoals uit steeds meer onderzoek blijkt.

Vrije tijd - zowel in pauzes gedurende de arbeidsperiode als na afloop daarvan - is daarom niet zomaar tijd om iets leuks te doen, maar die eigenlijk beter aan iets nuttigs besteed zou moeten zoals ... en dan volgt een hoop gemoraliseer. Het is domweg tijd die nodig is voor het lichamelijke en psychisch onderhoud van het organisme. Een beetje trainer op niveau weet dat en houdt er rekening mee bij het opstellen van schema's voor zijn of haar pupil, om 'overtraining' te vermijden. In de werkarena lijkt dit echter een bijna revolutionair inzicht.

Er is nog een tweede aspect aan de sanering, dat enige aandacht verdient. Het 'gemak' waarmee ouderen zich (hebben) laten afvloeien, moet ons aan het denken zetten. Kennelijk is 'arbeid' voor hen nauwelijks meer een uitdagend perspectief. Het is voor hen letterlijk de moeite niet meer waard. Massaal hebben ze er ten minste een inkomensachteruitgang van minstens 30 procent voor over (gehad), om de arbeid vroegtijdig te kunnen verlaten om 'iets leuks' te gaan doen. Dat betekent dat er nog steeds iets grondig mis is met de kwaliteit van de arbeid. Het wordt tijd dat we ons daarover zorgen gaan maken in plaats van te tobben over de vrije tijd.