De financiële crisis in Zuidoost-Azië; Een gouden kans

De financiële crisis in een aantal Zuidoost-Aziatische landen hoeft niet desastreus te zijn. Integendeel, het is een gelegenheid tot hervorming die, mits te baat genomen, tot nieuwe en duurzamer groei zal leiden. Het gaat om hervormingen van financiële instellingen, opdat die minder vatbaar zijn voor nepotisme en corruptie.

In het Chinees bestaat het woord 'crisis' uit twee karakters. Het ene karakter betekent 'gevaar' en het andere 'kansen'. Een treffender samenvatting van de financiële crisis die op het ogenblik Zuidoost-Azië treft, valt nauwelijks te geven.

Het gevaar bestaat uit de olievlekwerking van ineenstortende muntkoersen en paniek op de effectenbeurzen van Bangkok tot Manila. Dat leidt tot een even onverwacht als dramatisch welvaartsverlies in de getroffen landen. De kansen bestaan uit de mogelijkheid om de crisis aan te pakken en om hervormingsmaatregelen te treffen die al lang geleden genomen hadden moeten worden. Hervormingen van het economische beleid en in het bijzonder van de financiële sector.

De landen van Zuidoost- en Oost-Azië zijn in de roes geraakt van het Aziatische 'wonder', de spectaculaire economische groeicijfers, de toename van de welvaart per hoofd van de bevolking, de toestroom van buitenlands kapitaal, de hoerigheid van financiers, de bewieroking door internationale organisaties en de voorbeeldfunctie die ze werd toebedeeld voor andere ontwikkelingslanden. Ze waren gaan geloven in de onfeilbaarheid van hun Aziatische model, in de steeds megalomaner projecten - de hoogste torens, de langste bruggen, de grootste vliegvelden, de modernste techno-centra, de breedste wegen, de dieptste havens, de krachtigste waterkrachtcentrales of de grootste industriecomplexen ter wereld - ontworpen om hun succes aan af te meten. Dat waren, zoals de Maleisische premier dr. Mohamad Mahathir deze week zei, geen monumenten van grootheidswaan, maar essentiële infrastructuur.

Het waren ook geldverslindende projecten, gefinancierd met buitenlands kapitaal, waarvan de financiële spankracht ver boven de mogelijkheden van deze economieën uitging. Ze waren bovendien vergeven van nationalistische dadendrang - zoals de projecten voor een eigen autoindustrie of een eigen vliegtuigindustrie of een eigen 'Silicon-valley' in Indonesië, Thailand en Maleisië. Of van kostenverhogend politiek nepotisme en van regelrechte corruptie.

Gebiologeerd door het duizelingwekkende succes waren de landen van het Aziatische 'wonder' boven hun stand gaan leven en door het almaar toestromende buitenlandse kapitaal dachten ze dat ongelimiteerd vol te kunnen houden.

Aan die dagdroom heeft de financiële crisis een hardhandig einde gemaakt. De crisis brak begin deze zomer in volle hevigheid uit in Thailand. De val van de Thaise bath had een domino-effect en sleurde de munten van Maleisië, Singapore, Indonesië en de Filippijnen èn de koersen van de aandelen op de effectenbeurzen in deze landen omlaag. Alleen Hongkong en Taiwan wisten zich staande te houden.

“De Thaise crisis is het beste dat ons heeft kunnen overkomen”, aldus Nordin Sopiee, de directeur van het Institute of Strategic Studies uit Maleisië, deze week op een seminar georganiseerd in de marge van de jaarvergadering van het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank in Hongkong. “Het is een alarmbel om wakker te worden, een schreeuw om onze concurrentiepositie te verbeteren. We moeten deze crisis gebruiken om iets te doen.”

De landen van Zuidoost- en Oost-Azië hebben eerder crises meegemaakt en het Aziatische wonder is al vaker ten grave gedragen, maar nu lijkt de ernst van de situatie tot iedereen te zijn doorgedrongen. Thailand heeft onder strenge voorwaarden een via het IMF verstrekt krediet van 17,2 miljard dollar geaccepteerd om orde op zaken te stellen, zoals in de jaren tachtig in Latijns Amerika gebeurde. Toen glimlachten de Aziatische autoriteiten over de financiële bende die de Latinos hadden aangericht. Nu fungeren Argentinië en Chili als lichtende voorbeelden - en wordt de Thaise bath-crisis van 1997 vergeleken met de peso-crisis van 1994-1995 in Mexico.

En misschien is Thailand er nog wel ernstiger aan toe dan Mexico. In Mexico was de omvang van de crisis te overzien omdat deze zich voornamelijk afspeelde in de publieke sector. In Thailand is de diepte moeilijker te peilen want de problemen concentreren zich in de ondoorzichtige particuliere financiële sector.

“Ik heb de indruk dat de Aziatische leiders de lessen van Latijns Amerika nog niet hebben geleerd”, zegt Robert Hormats, vice-president van Goldman Sachs en voormalig economisch adviseur van Amerikaanse regeringen. “Ik denk dat de crisis nog niet voorbij is, wat voor geruststellende verklaringen er ook worden gegeven. Het zal eerst nog slechter gaan en het zal langer duren dan men denkt.”

Die mening wordt gedeeld door internationale bankiers. Niemand verwacht een snelle omslag. Daarvoor zitten de problemen veel te diep. Deze zijn deels het gevolg van de snelle economische veranderingen, waarbij structuren en instituties zijn achtergebleven, en deels van economische ideologie. Oost-Azië stond bijvoorbeeld bekend om zijn openheid, maar die openheid had uitsluitend betrekking op hun export-gerichtheid. Ze profiteerden van de koppeling van hun munten aan de dollar, die sinds halverwege de jaren tachtig in koers daalde. De Aziatische munten zakten mee, maar toen de dollar vanaf 1995 begon te stijgen nam het concurrentievermogen van deze landen af.

De financiële sector in de Aziatische landen was geen open, maar een gestuurde markt. Buitenlandse deelnemingen waren slechts zeer beperkt toegestaan, hetgeen niet bijdroeg aan goede bedrijfsvoering. De overheden dwongen banken, vaak staatsbanken, om te investeren in improductieve projecten en om industrieën te steunen met goedkope leningen. Een hoge Thaise functionaris erkende deze week dat in Thailand sprake was van “excessieve leningen aan onproductieve sectoren”. Als voorbeeld noemde hij investeringen in onrendabele golfcourses. Dit beleid van 'gestuurde' goedkope leningen - ook de chaebols (conglomeraten) van Zuid-Korea zijn een berucht voorbeeld - schermde in feite deze Aziatische economieën af van marktconcurrentie. Drijvend op goedkoop geld floreerde de economie, maar bleven de zwakheden toegedekt.

Die zijn nu in volle hevigheid aan het licht gekomen. De financiële sector staat nu in het middelpunt van de crisis. Wie 'kort' leent in het buitenland en op deze wijze langlopende leningen verstrekt in lokale valuta, moet een keer tegen de lamp lopen. Indonesië, Maleisië en Zuid-Korea hebben hun problemen, maar Thailand is er het ergst aan toe.

Voor Hongkong-Chinezen is de oplossing simpel: meer vrije markt, dan komt het vanzelf goed. Hongkong is er immers het levende bewijs van. De hyperactieve voormalige Britse kroonkolonie is doordesemd van de geest van de vrije markt. In Hongkong worden zelfs de bankbiljetten door particuliere banken (en de Chinese staatsbank) uitgegeven. De nieuwbenoemde 'uitvoerend directeur' (lees: premier) Tung Chee-hwa, tevens onroerendgoedmagnaat, liet er deze week geen onduidelijkheid over bestaan. “Het geheim van economisch succes is om de marktkrachten hun gang te laten gaan.”

Azië, zo erkennen waarnemers achteraf, heeft het overvloedig beschikbare buitenlands kapitaal niet goed gebruikt. In ieder geval waren de lokale financiële markten er niet op voorbereid om zoveel kapitaal te absorberen. Met als gevolg dat de lokale banken gebukt gaan onder stapels slechte leningen en in feite bankroet zijn. In Thailand is een abrupt einde gekomen aan de wildgroei van financiële instellingen; meer dan de helft is inmiddels gesloten. Ingrijpende saneringen van de financiële sector en veel beter toezicht op de gezondheid van het bankwezen staan dan ook bovenaan ieder lijstje van urgente hervormingen.

Dat Thailand zo'n klap heeft gekregen heeft ook andere oorzaken. Een van de grootste problemen is de corruptie, die volgens kenners sterk heeft bijgedragen aan de financiële crisis. Een Thaise krant opende onlangs de voorpagina over zes kolom met de kop 'de premier is een dief'. Er heeft zich namens de regeringsleider nooit een advocaat bij het blad gemeld. “De regering bestaat uit een stelletje boeven”, zei hoogleraar Pasuk Phongpaichit tijdens een van de vele Wereldbankseminars deze week in Hongkong. Zij verrichtte aan de Chulalongkorn Universiteit in Bangkok uitvoerig onderzoek naar corruptie.

De uitspraak van de Thaise professor wordt onderschreven in kringen van Wereldbank en IMF. Al zal niemand dat openlijk zeggen - en zeker niet in de bewoordingen van de Thaise hoogleraar. Volgens de Nederlandse minister Jan Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) gaat in de wandelgangen van de jaarvergadering van het IMF en de Wereldbank het verhaal dat de regering in Bangkok bewust economische cijfers had gemanipuleerd om de werkelijkheid mooier voor te stellen dan ze was.

De Thaise autoriteiten hebben het afgelopen jaar alle waarschuwingen van IMF en Wereldbank in de wind geslagen. Professor Phongpaichit is daarover absoluut niet verbaasd. Een devaluatie van de baht was uit den boze, want dat zou te veel schade hebben aangericht bij de financiële elite. En deze is weer nauw verweven met het politieke en militaire apparaat. Zo was de president van de Thaise Centrale Bank volgens haar wegens louter persoonlijke belangen niet bereid de vaste wisselkoers van de baht met de dollar los te laten. De Bank of Thailand bleef maar doorlenen aan noodlijdende financiële instellingen.

Phongpaichit: “Al negen tot vijftien maanden geleden hadden de autoriteiten de baht kunnen devalueren en iets aan de problemen van de financiële sector kunnen doen. Nu de nieuwe regering er zit beseffen we waarom er eerder niets is gedaan. De vorige bankpresident was gepolitiseerd.” Een cynische verklaring voor het uitblijven van een devaluatie toen het nog kon, is dat de financiële en politieke elite de tijd kreeg om hun vermogen veilig te stellen door dat nog tegen een gunstige koers te kunnen omwisselen in dollars. In een recent Wereldbankrapport over de financiële sector in de Zuidoost-Aziatische regio is sprake van “perverse relaties” tussen leners en geldschieters.

Publieke protesten leidden er onlangs toe dat corruptiebestrijding in de nieuwe Thaise grondwet is opgenomen. Maar zelfs als dat resultaat oplevert, blijven er nog talrijke problemen over die diep geworteld zijn in de Thaise samenleving.

De econoom Kamal Malhotra van hetzelfde instituut als Phongpaichit denkt daarom niet dat Thailand met het IMF-programma de crisis over een à twee jaar al weer te boven zal zijn. Volgens Malhotra, een Indiër die aan Columbia University in de VS studeerde, gaat de Thaise crisis zeker vijf tot tien jaar duren. En dan moet het land wel zijn structurele problemen hebben opgelost, anders gaat het nog mis.

Volgens Malhotra gaan de huidige problemen terug tot de jaren zeventig, toen de Vietnamoorlog de hele regio in zijn greep had. “De autoriteiten wilden Thailand tegen het communisme beschermen, want je had in die periode grote communistische groepen”, aldus Malhotra. Daarom moest de welvaart van de mensen worden vergroot. Malhotra: “Er kwam gratis lager onderwijs, voor ieder toegankelijke primaire gezondheidszorg en infrastructuur. Dat leidde tot een hoge economische groei, waarbij zowel arbeid als milieu werden geëxploiteerd. Toen het communisme geen bedreiging meer was, viel de motivatie voor welvaartsverhoging weg. Sindsdien is het beleid al vijftien jaar niet meer veranderd.”

Volgens cijfers van de Wereldbank is de armoede in Thailand inderdaad fors teruggedrongen: van 57 procent van de bevolking aan het eind van de jaren zestig tot ongeveer 13 procent vandaag. “Maar Thailand heeft armzalig voortgezet onderwijs. En aan research is niks gedaan”, aldus Malhotra. Een land als China heeft zich intussen in razende vaart door forse investeringen in human capital tot een geduchte concurrent ontwikkeld.

Ook Wereldbankeconoom Michael Watson van de afdeling Oost-Azië vraagt zich af of Thailand wel in staat is net zo soepel als in het verleden de volgende fase van de productiecyclus in te gaan. Hij gebruikt het Japanse beeld van een vlucht ganzen, waarbij steeds één gans een plaats naar voren schuift. In Oost-Azië is het immers altijd zo gegaan. Maar Thailand is achtergebleven. Watson: “Het doet de vraag rijzen van de beschikbaarheid van geschoolde arbeid, technische en institutionele capaciteiten.”

Bovendien is in Thailand - en in heel Zuidoost-Azië - de gebrekkige infrastructuur een belangrijk knelpunt in de economische ontwikkeling, terwijl ook het milieuprobleem dramatische vormen aanneemt. Volgens ramingen van de Wereldbank hebben alleen al Thailand, Indonesië, Maleisië en de Filippijnen tussen 1995 en 2004 voor infrastructuur (energie, telecom, transport, water en waterzuivering) 435 miljard dollar aan extra investeringen nodig. Dat betekent gemiddeld zo'n 7 procent van het bruto binnenlands product. De Wereldbank gaat er vanuit dat overheden nooit in staat zijn dergelijke bedragen zelf op te brengen. Daarom moet het aandeel van de particuliere sector in infrastructurele investeringen de komende vijf jaar verdubbelen tot dertig procent. De Wereldbank wil dit bevorderen door garanties te verstrekken.

De Zuidoost-Aziatische landen hebben het voordeel van hoge binnenlandse besparingen, die voor investeringen beschikbaar zijn. Maar ook hier wreekt zich weer het zwakke institutionele raamwerk. Zonder goede regelgeving, lokale kapitaalmarkten, goede contractprocedures, betrouwbare overheden en eerlijke aanbestedingen blijven potentiële investeerders weg.

De bekendste Hongkongse zakentycoon, Gordon Wu, wilde er deze week wel een boekje over open doen. Met het door hem opgerichte Hopewell Holdings is hij één van de grootste projectontwikkelaars in Azië. In Bangkok is hij betrokken bij de financiering van een metroproject, waarover hij met de lokale autoriteiten voortdurend overhoop ligt.

Wu, die bekend staat om zijn openhartigheid, gaf een recent voorbeeld van Japanse investeerders die in Thailand betrokken waren bij de aanleg van de tolweg van Bangkok naar het internationale vliegveld. “De Thaise autoriteiten verlaagden de toltarieven. Toen Thaise financiers het project hadden overgenomen, mochten de tarieven ineens wel omhoog. Daarna werd de hele onderneming naar de beurs gebracht.”

Een buitenlandse investeerder in de Aziatische regio is er volgens Wu altijd op bedacht dat de autoriteiten hem zijn geld willen afpakken. Wu: “Vervolgens denkt hij: waarom zouden ze het project aan een buitenlander gunnen en niet aan een van hun vriendjes?”

Hoe ziet Gordon Wu eigenlijk de toekomst van de Zuidoost-Aziatische regio? Er komt een uitleg over het ongekende economische succes van Hongkong door de toevloed van buitenlands kapitaal. De vriendelijke miljardair tovert vervolgens een brede grijns op zijn gezicht. “Mensen in Azië leren snel.”